AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen vaststelling bestemmingsplan Molenpark Bergambacht en besluit hogere waarden geluid
De raad van de gemeente Krimpenerwaard stelde op 4 juni 2024 het bestemmingsplan "Molenpark, Bergambacht" vast, dat de bouw van 125 woningen mogelijk maakt, inclusief hogere geluidgrenswaarden vanwege de nabijgelegen provinciale weg N207. Appellant, wonend aan de rand van het plangebied, maakte bezwaar tegen de besluiten vanwege vermeende aantasting van zijn leefomgeving en andere ruimtelijke en milieukundige bezwaren.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beoordeelde de beroepsgronden, waaronder het vermeende verbod op vooringenomenheid, aantasting van woon- en leefklimaat, strijd met afspraken over lintbebouwing, verkeersveiligheid, natuuraspecten, waterbeheer, hittestress en stikstofdepositie. De Afdeling concludeerde dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt, waarbij geen sprake is van vooringenomenheid of disproportionele nadelige gevolgen voor appellant.
Ook het besluit hogere waarden geluid werd inhoudelijk niet behandeld vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang van appellant bij de woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de raad en het college hoefden geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan en het besluit hogere waarden wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
202404432/1/R3.
Datum uitspraak: 19 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard,
appellant,
en
1. de raad van de gemeente Krimpenerwaard,
2. het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 4 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Molenpark, Bergambacht" vastgesteld (hierna: het bestemmingsplan).
Bij besluit van 4 juni 2024 heeft het college ten behoeve van het bestemmingsplan hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) vastgesteld (hierna: het besluit hogere waarden).
Tegen deze besluiten heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.
[partij] en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 oktober 2025, waar de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. A.D. Bouwman-van Blarkom en A. van Houtem, vergezeld door ing. T.J.M. van Diepen, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. W. van Galen, advocaat in Utrecht, vergezeld door [persoon], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Op 1 januari 2024 is ook de Aanvullingswet geluid Omgevingswet in werking getreden. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5198, is overwogen, blijft op een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones langs provinciale wegen het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk is. Maar dan moet die hogere waarde wel zijn vastgesteld ten behoeve van een besluit waarvoor een aanvraag is ingediend of waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd vóór het tijdstip waarop de onder artikel 3.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet bedoelde besluiten tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden in werking zijn getreden.
De hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting zijn vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan waarvan het ontwerp op 20 december 2023 ter inzage is gelegd. Dat betekent dat zowel op de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan als op het besluit tot vaststelling van de hogere waarden het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, de Wgh en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling mogelijk van in totaal 125 woningen op de locatie Molenpark, gelegen ten noorden van Bergambacht. De ontwikkeling bestaat uit 43 grondgebonden woningen, waaronder rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen, en 82 appartementen.
Het besluit hogere waarden voorziet voor een deel van de nieuwe woningen in een hogere geluidgrenswaarde als gevolg van het wegverkeer op de provinciale weg N207.
2.1. [appellant] woont aan de [locatie] in Bergambacht, direct grenzend aan het plangebied. Hij kan zich niet verenigen met de besluiten, onder andere omdat hij vreest voor een vergaande aantasting van zijn leefomgeving. [partij]Ontwikkeling is de initiatiefnemer van de ontwikkeling.
Het bestemmingsplan
Wijze van toetsen
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Verbod op vooringenomenheid
4. [appellant] betoogt dat de raad het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan heeft genomen met een zekere vooringenomenheid. De gemeente heeft deelgenomen aan selectieve overleggen tussen de initiatiefnemer en een door deze geselecteerde groep omwonenden. Verder is volgens [appellant] een convenant gesloten met bewoners van woningen aan de Kadijkselaan waarin afspraken zijn gemaakt over een bufferstrook, verkeer en de bouwhoogte. Met de bewoners aan de Molenlaan, waaronder [appellant], is geen convenant gesloten, met als resultaat dat de gevolgen van het bestemmingsplan voor hen nadeliger zijn.
4.1. Het verbod van vooringenomenheid is neergelegd in artikel 2:4 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1434), is in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2:4 vanPro de Awb (Kamerstukken II 1998/89, 21 221, nr. 3, blz. 53-55) benadrukt dat met dat artikel niet beoogd is dat een bestuursorgaan niet vanuit bepaalde beleidskeuzes zou mogen werken. Het gaat erom dat het bestuursorgaan de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bijvoorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden. Zoals in de toelichting is opgemerkt, moet de overheid de nodige objectiviteit betrachten en mag deze zich niet door vooringenomenheid laten leiden.
4.2. Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan is de gemeente een aantal maal betrokken geweest bij overleg tussen de initiatiefnemer en een groep omwonenden aan de Kadijkselaan. De Afdeling begrijpt uit de toelichting van de initiatiefnemer op de zitting dat dit overleg aanvankelijk was opgezet vanwege de uitbreiding van het bedrijfsterrein van [partij]Ontwikkeling. De aanwezigheid van ambtenaren van de gemeente bij dit overleg biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad partijdig heeft gehandeld of zich heeft laten leiden door persoonlijke belangen of voorkeuren bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Ook het bestaan van een convenant tussen de initiatiefnemer en een aantal omwonenden leidt niet tot dat oordeel. De raad is bij het convenant geen partij. Dat met een andere groep omwonenden, waaronder [appellant], geen convenant is gesloten door de initiatiefnemer, betekent niet dat hun belangen niet zijn betrokken in de besluitvorming door de raad over het bestemmingsplan. De raad heeft in de plantoelichting uiteengezet welke ruimtelijke overwegingen aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Niet is gebleken dat de raad zich daarbij heeft laten leiden door de belangen van de initiatiefnemer. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is genomen in strijd met het verbod op vooringenomenheid, bedoeld in artikel 2:4 vanPro de Awb.
Het betoog slaagt niet.
Aantasting woon- en leefklimaat
5. [appellant] betoogt dat het bestemmingsplan tot een onevenredige aantasting van zijn woon- en leefklimaat leidt. In dat verband wijst hij erop dat direct achter zijn perceel, op minder dan 10 m van de perceelgrens, bebouwing is voorzien. Anders dan bij de woonpercelen aan de Kadijkselaan, waarachter een bufferstrook van 25 m met groen en water is voorzien, ontbreekt een dergelijke strook bij zijn perceel. Daarbij is de hoogste bebouwing binnen het plangebied, een appartementencomplex met een maximale bouwhoogte van 15,3 m, juist gesitueerd nabij zijn perceel, terwijl aan de zijde van de Kadijkselaan uitsluitend laagbouw is toegestaan, overeenkomstig het convenant dat met die omwonenden is gesloten.
5.1. Het bestemmingsplan maakt bebouwing mogelijk op een afstand van ongeveer 8 m van de perceelgrens van [appellant] en op een afstand van ongeveer 18 m van zijn woning. Op grond van het vorige bestemmingsplan "Dorpsgebied" was al bebouwing toegestaan op een afstand van ongeveer 6 m van de perceelgrens en ongeveer 14 m van de woning van [appellant]. In zoverre verschilt de planologische situatie niet ingrijpend van de vorige. De voor [appellant] dichtstbijzijnde woning binnen het plangebied betreft een reeds bestaande vrijstaande woning aan de westzijde met een bouwhoogte van 9 m. Achter deze woning voorziet het bestemmingsplan in woningen met eenzelfde bouwhoogte. Het appartementencomplex waar [appellant] op doelt heeft een maximale bouwhoogte van 15,3 m en is voorzien op een afstand van ongeveer 65 m vanaf de achtergevel van zijn woning. De Afdeling overweegt dat geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Dit neemt niet weg dat de raad de gevolgen voor het uitzicht van [appellant] moet betrekken in zijn belangenafweging. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, gelet op de hiervoor vermelde afstanden en bouwhoogtes, mogen concluderen dat het uitzicht van [appellant] niet onevenredig wordt beïnvloed door het bestemmingsplan. De invloed van het appartementengebouw heeft de raad beperkt kunnen achten. Dat in het convenant tussen de initiatiefnemer en bewoners van woningen aan de Kadijkselaan afspraken zijn gemaakt over een bufferstrook, betekent niet dat de raad ook bij de woning van [appellant] moest voorzien in een dergelijke bufferstrook. [appellant] heeft de ruimtelijke noodzaak daarvoor niet aannemelijk gemaakt. Verder stelt de Afdeling vast dat de bouwhoogte van de maximaal zestien woningen aan de kant van de Kadijkselaan met 12 m hoger is dan de bouwhoogte van de woningen ten westen van het perceel van [appellant] aan de Molenlaan.
Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het bestemmingsplan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant].
Het betoog slaagt niet.
Lintbebouwing
6. [appellant] betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met de gemaakte afspraken over lintbebouwing. Volgens hem is het uitgangspunt dat maximaal één kleiner gebouw achter het hoofdgebouw mag worden gerealiseerd. In het bestemmingsplan worden echter twee rijen van elk drie woningen achter elkaar mogelijk gemaakt.
6.1. De Afdeling overweegt dat [appellant] in zijn beroepschrift niet heeft geconcretiseerd op welke afspraken over lintbebouwing hij doelt. In zijn nadere stuk wijst [appellant] op de gemeentelijke Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard, het Gebiedsprofiel Krimpenerwaard en de daarbij behorende Ambities uit de Kwaliteitskaart. Voor zover hij hiermee heeft bedoeld dat het bestemmingsplan in strijd is met wat in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit is opgenomen over lintbebouwing, overweegt de Afdeling dat deze nota geen beleid over lintbebouwing bevat waarvan niet kan worden afgeweken. In de nota staat dat bij bijzondere ontwikkelingsprojecten, zoals woningbouw, van de gebiedsgerichte uitgangspunten kan worden afgeweken en dat in die gevallen een beeldkwaliteitsplan wordt opgesteld. Dat laatste is in dit geval gebeurd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in zoverre in strijd met afspraken of beleidsuitgangspunten over lintbebouwing is vastgesteld dan wel dat de raad daarvan niet heeft kunnen afwijken. Daarvoor verwijst de Afdeling naar wat zij verder in deze uitspraak heeft overwogen.
Het betoog slaagt niet.
Aansluiting op de kern en wandelmogelijkheden
7. [appellant] betoogt dat het plangebied geïsoleerd ligt en feitelijk geen integraal onderdeel uitmaakt van de kern Bergambacht. Ook ligt het volgens hem te ver van de maatschappelijke voorzieningen. Daarnaast ontbreekt het volgens hem aan doorgaande wandelvoorzieningen.
7.1. Uit de verbeelding blijkt dat het plangebied aansluit op bestaande bebouwing van Bergambacht. Het vormt daarmee naar het oordeel van de Afdeling een logisch ruimtelijk verlengde van de bestaande kern en kan niet worden aangemerkt als een op zichzelf staand of geïsoleerd woongebied. De raad heeft op de zitting toegelicht dat het plangebied op korte afstand ligt van voorzieningen. Zo bevinden zich op ongeveer 150 m afstand aan de Hoofdstraat diverse winkels en op ongeveer 110 m afstand bij de rotonde aan de Molenlaan een bushalte met verbindingen richting Gouda en Rotterdam. Gelet hierop, heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het plangebied voldoende is ingebed in de bestaande kern en dat sprake is van een ruimtelijk aanvaardbare situering van de nieuwe woonwijk.
Wat betreft de wandelvoorzieningen stelt de Afdeling voorop dat geen verplichting bestaat om in een nieuw woongebied doorgaande of openbaar toegankelijke wandelroutes te realiseren. De raad heeft op de zitting toegelicht dat tussen het bedrijventerrein van [partij]Ontwikkeling en de voorziene woningen aan de noordzijde van het plangebied een groenstrook met de bestemming "Natuur" wordt aangelegd waarin wandelvoorzieningen worden gerealiseerd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat aan het plan in zoverre een gebrek kleeft. Het betoog slaagt niet.
Verkeer
8. [appellant] betoogt dat de verkeersontsluiting van de nieuwe woonwijk onveilig is en onvoldoende is onderbouwd. In het bestemmingsplan is voorzien dat al het verkeer van en naar de nieuwe wijk wordt ontsloten via één ontsluitingsweg op de Molenlaan, 40 m ten westen van zijn ontsluiting. Verder ligt de ontsluitingsweg op minder dan 100 m van de rotonde met de provinciale weg N207, direct na een onoverzichtelijke bocht. Het zicht vanaf en op de ontsluitingsweg wordt belemmerd door twee toegangsbruggen aan de Molenlaan. Bovendien heeft de Molenlaan de maximale capaciteit van 6.000 motorvoertuigen per etmaal al bereikt.
8.1. Uit het "Verkeersonderzoek Molenpark Bergambacht" van 13 november 2023, opgesteld door Goudappel, volgt dat de beoogde ontwikkeling leidt tot een verkeerstoename van ongeveer 917 motorvoertuigen per etmaal. [appellant] betwist dat aantal niet. De ontsluitingsweg is een erftoegangsweg waar ook spelende kinderen kunnen worden verwacht. In dat geval geldt volgens de richtlijnen van het CROW een maatgevende capaciteit van 1.000 motorvoertuigen per etmaal. De verwachte verkeersintensiteit blijft daar onder.
Wat betreft de Molenlaan volgt uit het verkeersonderzoek dat de verkeersafwikkeling in de toekomstige situatie als acceptabel kan worden beschouwd. In het prognosejaar 2030, waarin het bestemmingsplan is meegenomen, bedraagt de reservecapaciteit op de Molenlaan aan de oostzijde in de ochtendspits 1.248 motorvoertuigen per uur en aan de westzijde 1.019 motorvoertuigen per uur. In de avondspits bedraagt de reservecapaciteit aan de oostzijde 798 motorvoertuigen per uur en aan de westzijde 1.166 motorvoertuigen per uur. Op basis hiervan acht Goudappel het aannemelijk dat de Molenlaan voldoende capaciteit heeft om het extra verkeer goed en verkeersveilig te verwerken. Daarnaast is een kruispuntberekening door Goudappel uitgevoerd, waarbij ook de rotonde met de N207 in het verkeersmodel is meegenomen. Uit deze berekening volgt dat in zowel de ochtendspits als de avondspits sprake is van een redelijke tot goede doorstroming in de toekomstige situatie in 2030.
De raad kon zich naar het oordeel van de Afdeling op de uitkomsten van het verkeersonderzoek van Goudappel baseren, waaruit volgt dat verkeersonveilige situaties of verkeershinder zich niet zullen voordoen. [appellant] heeft daartegen niets ingebracht, anders dan zijn eigen mening, en heeft zijn stellingen niet onderbouwd met een verkeerskundig rapport of andere objectieve gegevens. Daarbij is de Afdeling niet gebleken dat sprake is van een onoverzichtelijke bocht op de Molenlaan bij de rotonde met de N207 of van een beperking van het zicht door de toegangsbruggen, zoals door [appellant] is gesteld.
Het betoog slaagt niet.
Natuur en landschap
9. [appellant] betoogt dat het bestemmingsplan leidt tot niet-toegankelijke natuur in zowel het oostelijke deel als het noordelijke deel van het plangebied. Volgens hem zijn meerdere natuuraspecten ten onrechte niet betrokken bij het vervolg van de ecologische studies die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.
9.1. De raad heeft toegelicht dat het plangebied in de huidige situatie vrijwel geheel is omsloten door bestaande bebouwing en wegen, waardoor de karakteristieke waarden van het veenweidelandschap in het gebied nog slechts in beperkte mate aanwezig zijn. Desondanks is in het stedenbouwkundig plan het bestaande verkavelingspatroon zoveel mogelijk behouden. In het oostelijke deel van het plangebied blijft een groene strook behouden en rondom het plangebied worden sloten behouden en uitgebreid, waarmee wordt aangesloten bij het bestaande verkavelingspatroon.
Wat betreft de toegankelijkheid van de natuur in het plangebied heeft de raad toegelicht dat de strook aan de oostzijde van het plangebied in particulier eigendom is en niet openbaar toegankelijk is. De strook aan de noordzijde van het plangebied heeft de bestemming "Natuur". Binnen deze bestemming is overeenkomstig artikel 5.1 van de planregels onder meer voorzien in het realiseren van waterpartijen en het behoud en herstel van natuur- en landschapswaarden. Dit gebied zal op termijn openbaar toegankelijk worden.
9.2. Ter onderbouwing van het bestemmingsplan is een ecologisch onderzoek uitgevoerd, de "Quickscan Wet natuurbescherming aan de Kadijk 4a-6 te Bergambacht" van 13 februari 2020, opgesteld door Blom Ecologie B.V. Vervolgens zijn door Blom Ecologie twee aanvullende onderzoeken verricht, te weten het "Aanvullend onderzoek naar huismus, vleermuizen, grote modderkruiper, heikikker en rugstreeppad aan de Kadijk 4-6a en Molenlaan 3 te Bergambacht" van 13 september 2021 en "Aanvullend onderzoek ecologie Molenlaan 3 te Bergambacht" van 22 september 2022. In de Quickscan en de aanvullende onderzoeken staat niet dat het oostelijke of noordelijke deel van het plangebied zodanige natuurwaarden heeft dat een aanvullende beoordeling noodzakelijk is.
Gelet hierop, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de ecologische onderbouwing van het bestemmingsplan onvoldoende of ondeugdelijk is. Dat delen van het plangebied (nog) niet openbaar toegankelijk zijn, betekent op zichzelf niet dat deze gronden niet bij de ecologische beoordeling konden worden betrokken. [appellant] heeft ook niet concreet onderbouwd welke ecologische aspecten zijn gemist in de onderzoeken.
Het betoog slaagt niet.
Wateroverlast en hittestress
10. [appellant] betoogt dat met het bestemmingsplan onvoldoende rekening wordt gehouden met de waterbergingscapaciteit en de risico’s op wateroverlast en hittestress. Het plangebied is volgens hem het laagstgelegen deel van Bergambacht en maakt deel uit van een gefixeerd en afgekist waterpeilgebied. [appellant] voert aan dat bijna 50% van de benodigde watercompensatie wordt gerealiseerd in een ander peilgebied, wat volgens hem in strijd is met de eisen van het waterschap.
10.1. De raad heeft toegelicht dat ter onderbouwing van het bestemmingsplan een waterbalans is opgesteld (bijlage 5 bij de plantoelichting) waarin de toename van verhard oppervlak en de demping van bestaande watergangen zijn meegenomen. De totale wateropgave bedraagt 6.760 m2. In het plangebied zelf wordt 2.749 m2 nieuw oppervlaktewater aangelegd. De resterende opgave van 4.011 m2 wordt gecompenseerd op gronden buiten het plangebied, die benedenstrooms ten opzichte van het plangebied liggen. Verder zal het hemelwater gescheiden worden afgevoerd en wordt het geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar naastgelegen sloten.
10.2. In de Nota van beantwoording van de vooroverleg- en inspraakreacties bij het voorontwerp (bijlage 14 bij de plantoelichting) is vermeld dat het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: HHSK) heeft verklaard dat in het bestemmingsplan de met het waterbeheer verbonden belangen voldoende zijn gewaarborgd en dat het HHSK daarom geen bezwaar heeft tegen de vaststelling van het bestemmingsplan. Uit de door [partij]Ontwikkeling overgelegde nadere stukken volgt dat het HHSK in februari 2024 heeft ingestemd met de realisatie van watercompensatie benedenstrooms, buiten het plangebied en ook buiten hetzelfde peilgebied van het plangebied. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de waterbergingscapaciteit en de risico’s op wateroverlast.
Wat betreft het betoog over hittestress overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat rekening is gehouden met de risico’s daarvan. Het stedenbouwkundig plan voorziet in een groene hoofdstructuur, een "groen carré", met aanvullende beplanting, groene oevers en bomen aan de randen van het plangebied. Deze maatregelen zijn gericht op het tegengaan van hittestress in de toekomstige woonwijk. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze maatregelen ontoereikend zijn voor het voorkomen van hittestress.
Het betoog slaagt niet.
Stikstof
11. [appellant] betoogt dat de raad niet heeft aangetoond dat het bestemmingsplan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op beschermde natuur. Volgens hem is onduidelijk of de geactualiseerde modellen van AERIUS zijn toegepast.
11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste aan een eventuele vernietiging van het bestemmingsplan vanwege deze beroepsgrond in de weg staat.
11.2. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
11.3. De Afdeling overweegt dat de bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51, volgt dat een natuurlijk persoon die zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, zich beroept op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Verder volgt uit deze uitspraak dat individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen.
11.4. Het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied Donkse Laagten ligt op een afstand van ongeveer 6 km van de woning van [appellant]. Gelet hierop, maakt het Natura 2000-gebied geen deel uit van de woon- en leefomgeving van [appellant]. De conclusie is dat zijn individuele belang niet verweven is met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dit betekent dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan vanwege de beroepsgrond over stikstof, zodat wat [appellant] op dit punt heeft aangevoerd onbesproken kan blijven.
Relativiteitsvereiste
12. Omdat de inhoudelijk besproken beroepsgronden niet slagen, is de Afdeling daar niet ingegaan op de vraag of het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in de weg staat.
Conclusie beroep tegen het bestemmingsplan
13. Het beroep voor zover ingesteld tegen het bestemmingsplan is ongegrond.
14. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Het besluit hogere waarden
15. [appellant] betoogt dat het besluit hogere waarden ten onrechte voor het gehele plangebied voorziet in hogere waarden van ruim 60 dB. Volgens hem rechtvaardigen de geluidsberekeningen alleen het vaststellen van hogere waarden voor een smalle strook van ongeveer 50 m breed langs de N207.
15.1. De regeling in afdeling 2 van hoofdstuk VI van de Wgh strekt ertoe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidsbelasting - na het zo mogelijk treffen van maatregelen - bij de te bouwen woningen vanwege de weg maximaal mag optreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.90 tot en met 10.95), strekt de regeling in de Wgh tot bescherming van de bewoners van de te bouwen woningen. [appellant] is geen eigenaar dan wel bewoner van één van de woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld en niet is gebleken van concrete interesse in de koop en/of bewoning van een van de woningen die in het bestemmingsplan zijn voorzien. Daarom strekt de regeling kennelijk niet tot de bescherming van zijn belangen. Wat hij aanvoert, kan gelet op artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het besluit hogere waarden. Daarom ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van het beroep tegen dat besluit.
Conclusie beroep tegen het besluit hogere waarden
16. Het beroep voor zover ingesteld tegen het besluit hogere waarden is ongegrond.
17. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.