ECLI:NL:RVS:2025:5638
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- M. den Heyer
- M.C. Stoové
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen recht op machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken gezinsleven met referent
Betrokkenen, afkomstig uit Eritrea, vroegen om een machtiging tot voorlopig verblijf op grond van gezinshereniging met hun zoon en broer, de referent, die sinds 2015 een verblijfsvergunning asiel heeft. De staatssecretaris wees de aanvragen af wegens onvoldoende bewijs van familierechtelijke relatie en gezinsleven.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van gezinsleven tussen betrokkene 1 en de referent, maar de Raad van State vernietigde dit oordeel. De minister had gemotiveerd dat de scheiding niet langer het gevolg was van de vluchtsituatie en dat de referent niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid, omdat hij niet met betrokkene 1 samenwoont.
De Raad van State stelde vast dat de minister terecht oordeelde dat er geen hechte persoonlijke banden zijn tussen de referent en betrokkene 2, en dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro deugdelijk was. Het beroep van betrokkenen werd ongegrond verklaard, en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkenen wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.