ECLI:NL:RVS:2025:5839

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
202401088/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Schipper-Spanninga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WjsgArt. 8:57 AwbArt. 8:64 AwbArt. 26 Wjsg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verwijdering van justitiële gegevens na sepot vernieling

De appellant had onder invloed van alcohol een bloempot en tuinbeeld van zijn buren vernield. Hoewel de buren aanvankelijk aangifte deden, trokken zij deze later in en seponeerde het Openbaar Ministerie de zaak. De appellant verzocht vervolgens de minister om verwijdering van de registratie van dit sepot uit het Justitieel Documentatie Systeem (JDS), vanwege persoonlijke omstandigheden en de negatieve gevolgen voor zijn werk.

De minister wees dit verzoek af, stellende dat het belang van een volledig historisch overzicht in het JDS zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van de appellant. De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep van de appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde de appellant dat de registratie hem ernstige carrièrehindernissen oplevert, waaronder moeilijkheden bij het vinden van werk en het verkrijgen van een visum.

De Raad van State oordeelde dat de appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden die verwijdering rechtvaardigen. De minister heeft terecht een vaste gedragslijn gevolgd waarbij factoren zoals leeftijd, ernst van het delict, sepot en carrièrehinder worden meegewogen. De appellant kon zijn stellingen over carrièrehindernis niet voldoende onderbouwen. Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en blijft de registratie in het JDS gehandhaafd.

Uitkomst: Het verzoek tot verwijdering van de justitiële registratie in het JDS wordt afgewezen en de registratie blijft gehandhaafd.

Uitspraak

202401088/1/A3.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 1 februari 2024 in zaak nr. 22/6332 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Justitie en Veiligheid (thans: de staatssecretaris).
Procesverloop
Bij besluit van 9 mei 2022 heeft de minister het verzoek van [appellant] om verwijdering van zijn gegevens uit het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS) afgewezen.
Bij besluit van 19 september 2022 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 augustus 2025, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door M.T.R. de Kroon en M. Verhaaf, zijn verschenen.
Op deze zitting heeft de Afdeling het onderzoek geschorst. Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant] en de minister nadere stukken ingediend. Met inachtneming van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. De Afdeling heeft het onderzoek overeenkomstig artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] heeft onder invloed van alcohol, in een voor hem lastige tijd, een bloempot en een tuinbeeld van zijn buren vernield. Zijn buren hebben in eerste instantie aangifte gedaan van de vernieling maar deze aangifte later weer ingetrokken. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens de zaak geseponeerd. [appellant] heeft de minister verzocht om de registratie van het sepot in het JDS te verwijderen wegens persoonlijke omstandigheden. De gevolgen van de registratie, met name voor zijn werk, staan volgens [appellant] niet in verhouding tot het voorval.
De besluitvorming
2.       De minister heeft het verzoek van [appellant] afgewezen en zich op het standpunt gesteld dat de persoonlijke belangen van [appellant] niet opwegen tegen het belang om een volledig historisch overzicht te behouden. Daarbij zijn er geen bijzondere omstandigheden die de verwijdering van de registratie rechtvaardigen. Bij het besluit van 19 september 2022 heeft de minister deze afwijzing gehandhaafd. Volgens de minister was [appellant] ten tijde van het delict niet zeer jong, was succesvolle vervolging technisch haalbaar, is het feit recentelijk gepleegd en kan dit als een misdrijf worden gekwalificeerd. Van een meer dan normale carrièrehinder of van een specifiek genoten opleiding - persoonlijke omstandigheden die kunnen leiden tot beëindiging van de verwerking van de justitiële gegevens - is geen sprake.
Het oordeel van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het verzoek tot verwijdering van de justitiële gegevens heeft mogen afwijzen. Volgens de rechtbank staat de inhoudelijke juistheid van de registratie niet ter discussie. De bijzondere omstandigheden die [appellant] heeft aangevoerd, zijn geen omstandigheden die maken dat de minister in dit geval de verwijdering van de gegevens niet mocht weigeren. Daarbij heeft de minister het belang van een juiste en volledige registratie in het JDS zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van [appellant] bij de verwijdering van zijn registratie, aldus de rechtbank.
Het hoger beroep van [appellant]
4.       [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de voor hem nadelige effecten van de registratie in het JDS niet opwegen tegen het belang van een juiste en volledige registratie in het JDS. Zo is het voor [appellant] door de registratie bijvoorbeeld lastiger om werk te vinden en is het voor hem moeilijker dan voor zijn collega’s om een visum te verkrijgen. Ook heeft de registratie volgens hem tot gevolg gehad dat arbeidsrelaties niet zijn voortgezet. Hierbij heeft [appellant] uitgebreid de omstandigheden waaronder de vernieling heeft plaats gevonden en zijn huidige levenswijze en goede intenties beschreven. Hij ervaart de registratie als oneerlijk en verstrekkend.
5.       Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) verwerkt de minister gegevens in de JDS ten behoeve van een goede strafrechtpleging.
Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wjsg kan een betrokkene verzet aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden. Het tweede lid van dit artikel regelt dat wanneer een verzet gerechtvaardigd is, de verwerking wordt beëindigd.
De minister heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting nader toegelicht dat hij hierbij een vaste gedragslijn hanteert waarbij de volgende omstandigheden/criteria - voor zover van toepassing - in samenhang worden gewogen:
-         De betrokkene was ten tijde van het delict zeer jong;
-         De ernst van het delict, de opgelegde straf en de aard van de beslissing kan als licht worden aangemerkt;
-         Er is sprake van een sepot of vrijspraak;
-         De bewaartermijn is bijna verstreken;
-         Er is sprake van een specifieke opleiding;
-         Er is sprake van aantoonbaar meer dan normale (carrière) hinder;
-         Er zijn geen andere registraties in de justitiële documentatie.
6.       De Afdeling heeft onder meer in de uitspraak van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4610, geoordeeld dat de verwerking van justitiële gegevens tot doel heeft een goede strafrechtspleging te bevorderen. Wil de rechter of officier van justitie een compleet beeld krijgen van iemands strafrechtelijke verleden, dan is het volgens de wetgever van belang dat de gegevens over alle delicten die tot een afdoening door de officier van justitie of de rechter hebben geleid gedurende de in de wet genoemde termijnen beschikbaar blijven. Dit blijkt ook uit de Kamerstukken II 1999/2000, 24 797, nr. 7. Niet van belang is of degene van wie de gegevens zijn verwerkt hieronder emotioneel gebukt gaat. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:993 en van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1148), volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 26 van Pro de Wjsg dat aan het belang van het verwerken van justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging dusdanig gewicht toekomt dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen de verwerking van die gegevens moet worden gestaakt. Het moet volgens de wetgever gaan om zeer bijzondere gevallen, waarbij de aard van de zaak zwaarder weegt dan het beginsel dat de justitiële documentatie een volledige registratie bevat ten behoeve van een goede strafrechtspleging (Kamerstukken II 2001/02, 24 797, nr. 13). De minister heeft beoordelingsruimte bij de behandeling van een verzet op grond van artikel 26, eerste lid, van de Wjsg. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een vaste gedragslijn (zie ook de uitspraak van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2906).
7.       De Afdeling heeft in haar uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:618, geoordeeld dat het aan degene die verzet aantekent is om aannemelijk te maken dat er sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden.
8.       De Afdeling is van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden zoals bedoeld in de gedragslijn van de minister. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister in zijn besluitvorming heeft meegenomen dat [appellant] ten tijde van het delict geen jonge leeftijd meer had en dat van een 38-jarige mag worden verwacht dat hij de gevolgen van zijn acties kan overzien. Ook heeft de rechtbank in haar oordeelsvorming terecht meegenomen dat de minister bij zijn afweging aandacht heeft besteed aan het feit dat de strafzaak is geseponeerd en dat de vernieling het enige geregistreerde feit is. De minister heeft verder meegewogen dat, hoewel sprake is van een misdrijf, ook sprake is van een gering feit (afgezet tegen andere misdrijven). Daarnaast heeft de minister aandacht besteed aan de hinder die [appellant] ondervindt van de registratie. De rechtbank heeft in dit verband terecht geoordeeld dat niet gebleken is van meer dan normale (carrière)hinder en [appellant] zijn stelling in zijn werk hinder te ondervinden ook niet nader heeft onderbouwd of aannemelijk heeft gemaakt. Ook met de in hoger beroep overgelegde stukken is [appellant] hierin niet geslaagd. De overgelegde uitdraai van zijn Linkedln-cv ziet op zijn werkervaring, opleiding en training. Het stuk met het verzoek om een aanvulling van de omgangsregeling ziet op de planning van de schoolvakantie, het juridisch bindende karakter van deze regeling en een gedeeld ouderschapsplan met zijn ex-partner over hun zoon. De overgelegde format beschrijving werkervaring en een toelichting daarop bevat een beschrijving van [appellant] zelf van zijn werkervaring op hoofdlijnen en een meer gedetailleerde beschrijving hiervan in een format. Dit stuk heeft [appellant] opgesteld voor zijn aanvraag van een NOREA-registratie. In het stuk van 15 augustus 2025 dat [appellant] ook zelf heeft opgesteld, geeft hij informatie over de door hem ervaren carrièrehinder ten gevolge van de registratie in het JDS. Volgens [appellant] heeft hij bij drie werkgevers zijn baan verloren terwijl de kwaliteit van zijn werk hiervoor geen aanleiding gaf. Dit laatste heeft [appellant] onderbouwd met onder meer de hiervoor genoemde format voor een NOREA-registratie. Met deze stukken heeft [appellant] de impact van de gebeurtenissen die tot de registratie hebben geleid naar voren gebracht, maar niet aannemelijk gemaakt dat het niet voortzetten van zijn arbeidsrelaties samenhangt met de registratie in het JDS. In het stuk van
15 augustus 2025 heeft [appellant] hierbij ook zelf te kennen gegeven geen opnames of documentatie ter onderbouwing hiervan te kunnen overleggen. De brief met bijlage van [appellant] van 20 augustus 2025 maakt dit niet anders, omdat ook de daarin beschreven gebeurtenissen geen aantoonbaar verband houden met de registratie in de JDS. Ook met de brief van [appellant] van 5 november 2025 met een vertrouwelijke bijlage heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van meer dan normale carrièrehinder die samenhangt met de registratie in het JDS. Tot slot is er geen onderbouwing van de stelling van [appellant] dat een medewerker van een voormalige werkgever zou hebben gezegd "Er zijn geen enkele twijfels over het werk, maar er staat wel iets in de systemen en [..] wij willen dat iedereen boven elke verdenking verheven is."
De minister heeft zich gelet op het voorgaande op het standpunt mogen stellen dat de gevolgen van de registratie van de justitiële gegevens in dit geval niet onevenredig bezwarend zijn in verhouding tot het belang van een goede strafrechtspleging bij instandhouding van de registratie. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat de minister het verzoek van [appellant] om verwijdering van zijn registratie in het JDS heeft mogen afwijzen.
Het betoog slaagt niet.
9.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10.     De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bindels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
85-1147