Bij besluit van 8 december 2021 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de staatssecretaris, verklaarde de rechtbank Den Haag op 11 december 2024 het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht om binnen twee weken de mvv te verlenen.
De minister van Asiel en Migratie stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De voorzieningenrechter besloot bij wijze van ordemaatregel de werking van de uitspraak van de rechtbank op te schorten zolang het hoger beroep nog niet is beslist.
De voorzieningenrechter overwoog dat de noodzakelijke stukken voor het hoger beroep nog niet waren ontvangen en dat de belangenafweging dit rechtvaardigde. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A. Kuijer op 2 januari 2025.
Uitkomst: De uitvoering van de uitspraak van de rechtbank wordt opgeschort totdat het hoger beroep is beslist.
Uitspraak
202407961/2/V1.
Datum uitspraak: 2 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 11 december 2024 in zaak nr. NL24.24163 in het geding tussen:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 17 mei 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen om de vreemdeling binnen twee weken na verzending van de uitspraak de gevraagde mvv te verlenen
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. Gelet op de betrokken belangen en omdat de voor de beoordeling van het hoger beroep noodzakelijke stukken nog niet zijn ontvangen, treft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel een voorlopige voorziening. Nadat de stukken zijn ontvangen, zal de voorzieningenrechter uitspraak doen op het resterende deel van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
treft bij wijze van ordemaatregel de voorlopige voorziening dat de werking van de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 11 december 2024 in zaak nr. NL24.24163 wordt opgeschort zolang geen uitspraak is gedaan op het resterende deel van het verzoek van de minister van Asiel en Migratie.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.W. de Lange, griffier.