ECLI:NL:RVS:2025:613
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding proceskosten na intrekking hoger beroep in asielzaak wegens overschrijding beslistermijn
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake een asielaanvraag. Tijdens de procedure trok de vreemdeling het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding van de minister van Asiel en Migratie.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de minister de beslistermijn voor de aanvraag van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd had overschreden, ongeacht de rechtmatigheid van een verlenging van die termijn. De minister had uiteindelijk op 7 januari 2025 de aanvraag ingewilligd.
Gezien de overschrijding van de beslistermijn en het feit dat de minister aan de aanvraag volledig tegemoet was gekomen, oordeelde de Afdeling dat er aanleiding was om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De vergoeding werd vastgesteld op €453,50, zijnde kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand.
De Afdeling wees het verzoek toe en bepaalde een wegingsfactor van 0,5 toe omdat het hoger beroep uitsluitend ging over het niet tijdig nemen van een besluit door de minister. Er was geen beroep van rechtswege ontstaan omdat de vreemdeling niet tegen het besluit bezwaar had gemaakt.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 19 februari 2025.
Uitkomst: De minister van Asiel en Migratie is veroordeeld tot vergoeding van €453,50 aan proceskosten wegens overschrijding van de beslistermijn.