ECLI:NL:RVS:2025:6162
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens niet voldoen aan bindingseis
Appellante verhuisde in april 2020 met haar dochter van Amsterdam naar Almere en keerde na beëindiging van een gewelddadige relatie in december 2020 terug naar Amsterdam. Zij vroeg in juli 2022 een urgentieverklaring aan omdat zij met haar dochter op straat dreigde te komen staan. Het college wees de aanvraag af wegens het niet voldoen aan de bindingseis van minimaal vier jaar onafgebroken verblijf in Amsterdam, zoals bepaald in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het college geen ruimte had om van de bindingseis af te wijken en dat er geen sprake was van een urgent huisvestingsprobleem omdat appellante tijdelijk bij kennissen kon verblijven. Appellante stelde dat het college een te strikte uitleg gaf aan de bindingseis en dat het besluit in strijd was met internationale verdragen en de Grondwet, maar deze argumenten werden door de Afdeling verworpen.
De Afdeling overwoog dat de bindingseis niet in strijd is met de Huisvestingswet 2014 en dat het college het algemene belang bij een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder mocht laten wegen dan het individuele belang van appellante. Ook de toepassing van de hardheidsclausule werd niet noodzakelijk geacht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.