ECLI:NL:RVS:2019:435
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B.P. Vermeulen
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toeslagpartnerbegrip bij gehuwden met partner in buitenland in toeslagenrecht
Appellant betwistte de herziening en terugvordering van kinderopvangtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2014 en 2015, omdat haar echtgenoot in de Verenigde Staten woont en zij meent dat hij niet als toeslagpartner moet worden aangemerkt. De Belastingdienst/Toeslagen stelde dat het toeslagpartnerschap volgt uit het huwelijk en dat het partnerbegrip in de Awir en Awr daartoe leidt, ongeacht het woonadres van de partner.
De rechtbanken oordeelden dat het partnerbegrip in de Awir en Awr afwijkt van het fiscale partnerbegrip in de Wet IB 2001 en dat het standpunt van de Belastingdienst terecht was. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt deze lijn en wijst het beroep af. Het onderscheid dat een partner die buiten de EU of Zwitserland woont niet meetelt voor de kinderopvangtoeslag is gerechtvaardigd.
Verder is geen sprake van schending van internationale verdragsbepalingen zoals het EVRM, IVBPR, IVRK en het Europees Sociaal Handvest. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat een voorschot geen definitieve aanspraak geeft. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk voor zover het ziet op de herziening van het voorschot kindgebonden budget 2015.
De Afdeling bevestigt de eerdere uitspraken van de rechtbanken en verklaart het hoger beroep in zoverre ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk voor herziening voorschot kindgebonden budget 2015 en verder ongegrond verklaard; eerdere uitspraken rechtbank bevestigd.