ECLI:NL:RVS:2025:6237

Raad van State

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
202504373/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verblijfsvergunning asiel voor Oekraïense nationaliteit

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van een appellant die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevraagd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 6 mei 2025 niet in behandeling genomen. De rechtbank heeft op 23 juli 2025 het beroep van de appellant ongegrond verklaard. De appellant, vertegenwoordigd door mr. W. Spijkstra, heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een nader stuk ingediend, waarop de appellant heeft gereageerd. De Raad van State heeft op 22 december 2025 uitspraak gedaan. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat de minister de aanvraag van de appellant had moeten aanmerken als een verzoek om tijdelijke bescherming, omdat de appellant de Oekraïense nationaliteit heeft en zich niet heeft gemeld bij de gemeente voor tijdelijke bescherming. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de minister de aanvraag niet had hoeven doorzenden naar een andere afdeling van de IND. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister van 6 mei 2025. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de appellant.

Uitspraak

202504373/1/V2.
Datum uitspraak: 22 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 23 juli 2025 in zaak nr. NL25.21353 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 23 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. W. Spijkstra, advocaat in Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.
Overwegingen
Ontvankelijkheid
1.       De minister heeft in de brief van 10 september 2025 laten weten dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken en heeft de Afdeling verzocht te beoordelen of er nog sprake is van procesbelang. De gemachtigde heeft laten weten dat hij contact onderhoudt met appellant en dat die de procedure wil voortzetten. De Afdeling stelt daarom vast dat appellant nog steeds belang heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, onder 2.7).
Inleiding
2.       Appellant heeft verklaard dat zij de Oekraïense nationaliteit heeft. Zij heeft op 12 februari 2025 een asielaanvraag ingediend in Ter Apel. De minister heeft haar aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is. De Duitse autoriteiten zijn op 28 maart 2025 akkoord gegaan met het door de minister gedane terugnameverzoek. Het geschil gaat over de vraag of de asielaanvraag aangemerkt had moeten worden als een verzoek om tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn tijdelijke bescherming.
Oordeel van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft overwogen dat appellant zich niet gemeld heeft bij de gemeente om een verzoek om tijdelijke bescherming te doen en dat uit de Richtlijn tijdelijke bescherming, het uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 en Werkinstructie 2022/17 Richtlijn tijdelijke bescherming Oekraïne en asielprocedure (hierna: WI 2022/17) niet volgt dat de minister appellant had moeten doorverwijzen naar de gemeente. Verder heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding bestaat om te oordelen dat de minister de asielaanvraag van appellant had moeten opvatten als een verzoek om tijdelijke bescherming. De minister heeft daarom terecht beoordeeld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Strekking van het verzoek en onduidelijkheid van de procedure
4.       De enige grief richt zich tegen dit oordeel van de rechtbank. Appellant betoogt dat een Oekraïner die om bescherming vraagt, daarmee impliciet verzoekt om tijdelijke bescherming. Zij voert daarbij aan dat zij er niet van op de hoogte is welke regels van toepassing zijn en dat de te volgen procedure onduidelijk is. Er is namelijk geen speciaal formulier voor verzoeken om tijdelijke bescherming. Voor tijdelijke bescherming moet hetzelfde M35-H-formulier ingevuld worden als voor een asielaanvraag.
Implementatie en toepassing van de Richtlijn tijdelijke bescherming
4.1.    De Richtlijn tijdelijke bescherming is op 16 december 2004 in nationaal recht omgezet (Kamerstukken II 2002/2003, 29 031, nr. 3). Uit die omzetting volgt dat het indienen van een asielaanvraag nodig is om in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Dat betekent dat in Nederland iedereen die voor tijdelijke bescherming in aanmerking wil komen, een asielaanvraag moet hebben ingediend. In een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 30 maart 2022 (Kamerstukken II 2021/2022, 19 637, nr. 2839) heeft de minister over de wijze van omzetting een nadere toelichting gegeven, mede in het licht van de toestroom van personen uit Oekraïne. Om in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming moet een persoon die stelt ontheemd te zijn geraakt door de veiligheidssituatie in Oekraïne, zich melden bij een gemeente en wordt die ontheemde ingeschreven in de Basisregistratie personen (hierna: de Brp). Deze aanmelding wordt aangemerkt als een uiting van een wens om internationale bescherming. Daarna heeft de ontheemde rechtmatig verblijf in Nederland op grond van de Vw 2000. De in de Brp ingeschreven groep wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld om een afspraak te maken bij de IND op een daarvoor aangewezen locatie.
Uit WI 2022/17, p. 3, volgt dat het nadrukkelijk niet de bedoeling is dat een ontheemde zich in Ter Apel meldt met een verzoek om tijdelijke bescherming, omdat er anders een te groot beslag wordt gelegd op Ter Apel. Op een andere IND-locatie dan Ter Apel beoordeelt de IND aan de hand van de beschikbare documenten of een persoon daadwerkelijk onder de Richtlijn tijdelijke bescherming valt en dient de ontheemde een asielaanvraag in door het M35-H-formulier te ondertekenen. Daarna krijgt de ontheemde een bewijs van de status als tijdelijk beschermde. Na de ondertekening van het M35-H-formulier vinden er geen verdere handelingen in het kader van de asielaanvraag plaats. De behandeling van de asielaanvraag wordt op grond van artikel 43a van de Vw 2000 aangehouden voor de duur van de tijdelijke bescherming.
Aanmerken als verzoek om tijdelijke bescherming
4.2.    Appellant heeft zich niet gemeld bij de gemeente, maar heeft zoals gezegd een asielaanvraag ingediend bij de centrale aanmeldlocatie in Ter Apel. Daarmee heeft appellant niet de hiervoor beschreven procedure voor het verkrijgen van tijdelijke bescherming gevolgd. Tijdens het screenings- en identificatiegehoor in Ter Apel heeft appellant verklaard dat zij de Oekraïense nationaliteit bezit en heeft zij een asielaanvraag ingediend door het M35-H-formulier te ondertekenen. Gelet daarop had de minister in de systemen moeten nagaan of zij al had beoordeeld of appellant voor tijdelijke bescherming in aanmerking komt. De minister had dat nog niet beoordeeld. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 24 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5672, onder 4.2, en ECLI:NL:RVS:2025:5673, onder 4.2, had de minister de asielaanvraag daarom moeten aanmerken als een verzoek om tijdelijke bescherming. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de minister de aanvraag van appellant niet had hoeven opvatten als een verzoek om tijdelijke bescherming.
Doorzendplicht
4.3.    De minister had de aanvraag van appellant dus moeten aanmerken als een verzoek om tijdelijke bescherming. De minister heeft er om organisatorische redenen voor gekozen om dergelijke verzoeken niet in Ter Apel te behandelen, maar op andere IND-locaties. Artikel 2:3, eerste lid, van de Awb verplicht een bestuursorgaan om aanvragen waarvoor een ander bestuursorgaan bevoegd is door te sturen naar dat andere bestuursorgaan. Deze doorzendplicht geldt ook voor het doorzenden binnen een bestuursorgaan. Vergelijk voor dat laatste de uitspraak van de CRvB van 22 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2469, onder 4.3. Appellant heeft zich toch in Ter Apel gemeld. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 24 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5672, onder 4.3, en ECLI:NL:RVS:2025:5673, onder 4.3, had de minister het verzoek om tijdelijke bescherming daarom onmiddellijk moeten doorzenden naar een afdeling van de IND op een andere locatie dan Ter Apel die verzoeken om tijdelijke bescherming beoordeelt. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de minister de aanvraag niet had hoeven doorzenden.
4.4.    Omdat de minister de aanvraag niet heeft doorgezonden naar een andere afdeling van de IND, heeft zij nog niet beoordeeld of appellant voor tijdelijke bescherming in aanmerking komt. De rechtbank is eraan voorbijgegaan dat de minister op grond van haar eigen WI 2022/17 de asielaanvraag van appellant nog niet in behandeling had mogen nemen, omdat zij eerst het verzoek om tijdelijke bescherming had moeten beoordelen. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat de minister er terecht toe is overgegaan te beoordelen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
4.5.    De grief slaagt.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 6 mei 2025. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 23 juli 2025 in zaak nr. NL25.21353;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 6 mei 2025, V-[...];
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025
307-1170