ECLI:NL:RVS:2025:6312
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing compensatie private schulden toeslagenaffaire wegens niet-opeisbaarheid
Appellante, gedupeerde van de toeslagenaffaire, vroeg compensatie voor private schulden bij Wehkamp en Kedin. De minister wees de aanvraag af wegens het niet voldoen aan de vereisten van artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), met name het onduidelijk zijn of de schulden na 31 december 2005 zijn ontstaan en het ontbreken van betalingsachterstanden die de opeisbaarheid van de hoofdsommen aantonen.
De rechtbank bevestigde dit standpunt en vond geen aanleiding om artikel 4.1 Wht buiten toepassing te laten, noch om de hardheidsclausule toe te passen. In hoger beroep betoogde appellante dat de schulden wel opeisbaar waren en dat bijzondere omstandigheden tot compensatie zouden moeten leiden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat niet is gebleken dat de schulden voor 1 juni 2021 opeisbaar waren, een vereiste voor compensatie. Ook de interpretatie van artikel 4.3 Wht dat betaling na ontvangst van compensatie tot vergoeding leidt, werd verworpen. De Afdeling vond onvoldoende bewijs voor betalingsachterstanden en geen aanwijzingen voor toepassing van de hardheidsclausule.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van compensatie voor de private schulden bevestigd.