202500599/1/V6.
Datum uitspraak: 24 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 december 2024 in zaak nr. 23/1164 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 5 december 2022 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.
Bij besluit van 14 april 2023 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2025, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. Laros, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] stelt afkomstig te zijn uit Soedan en op dertienjarige leeftijd te zijn verhuisd naar Eritrea. Vanuit Eritrea is hij naar Nederland gevlucht. Hij heeft een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.
1.1. Niet in geschil is dat [appellant] bij de indiening van het verzoek een Eritrese identiteitskaart, maar niet een gelegaliseerde geboorteakte heeft overgelegd. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat de identiteit van [appellant] niet met zekerheid is vast te stellen. [appellant] had volgens de staatssecretaris een gelegaliseerde geboorteakte uit Soedan moeten overleggen, maar heeft dat niet gedaan. Hij heeft bovendien volgens de staatssecretaris niet aangetoond dat hij in bewijsnood verkeert.
Wettelijk kader en beleidskader
2. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend. Op grond van artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regels worden gesteld ter uitvoering van de RWN.
Op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit. Op grond van het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, en ook de staatssecretaris, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. Volgens de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Handleiding) moet de verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte, overleggen (paragraaf 3.5.3 van het beleid voor artikel 7 van de RWN). Een verzoeker met een asielstatus wordt in beginsel geen vrijstelling verleend voor het overleggen van deze documenten als hij of zij is geboren in een ander land dan het land waarvan hij of zij de nationaliteit heeft en waaruit hij of zij is gevlucht. In zo’n geval mag een geboorteregistratiebewijs of een geboorteakte worden verlangd, als dat is opgemaakt (paragraaf 3.5.2 van het beleid voor artikel 7 van de RWN).
Volgens de Handleiding stelt de staatssecretaris de verzoeker vrij van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten als de verzoeker in bewijsnood verkeert (paragraaf 3.5.6 van het beleid voor artikel 7 van de RWN).
Hoger beroep en beoordeling
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris ten onrechte van hem verlangt dat hij een geboorteakte overlegt en dat de staatssecretaris zich daarbij ten onrechte onverkort beroept op paragraaf 3.5.2 van het beleid voor artikel 7 van de RWN zoals hiervoor onder 2 weergegeven. [appellant] heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er in Soedan geen akte van zijn geboorte is opgemaakt. Het is dan volgens hem aan de staatssecretaris om aan te tonen dat er wel een geboorteakte is opgemaakt.
3.1. Het is in de eerste plaats aan [appellant] om gegevens te verstrekken over onder meer zijn geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland (zie hiervoor onder 2). De staatssecretaris mag dat ook van hem verlangen, omdat [appellant] - naar gesteld - in Soedan is geboren en dit niet het land is waaruit hij is gevlucht naar Nederland. De bewijslast voor het standpunt van [appellant] dat er geen geboorteakte in Soedan is opgemaakt, rust op hem. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] met de stelling dat er in Soedan nooit een akte van zijn geboorte is opgemaakt, niet aan deze bewijslast heeft voldaan. Deze stelling heeft hij namelijk niet nader gemotiveerd.
3.2. Voor zover [appellant] zich beroept op bewijsnood, heeft hij niet aangetoond dat hij alles heeft gedaan wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mogelijk is om in het bezit te komen van de gevraagde geboorteakte. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2844, onder 6.1. De rechtbank heeft in haar oordeel over het ontbreken van bewijsnood terecht betrokken dat [appellant] helemaal geen contact met de Soedanese autoriteiten in Nederland of in Soedan heeft opgenomen en dat de staatssecretaris dit wel van hem mag verwachten. Dat laatste volgt ook uit paragraaf 3.5.6 van het beleid voor artikel 7 van de RWN. 3.3. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij met de overgelegde Eritrese identiteitskaart zijn identiteit heeft aangetoond. Hij beroept zich daarbij op een lijst van documenten van vluchtelingen uit Eritrea die volgens hem hoort bij een Algemeen Ambtsbericht over Eritrea van december 2022. Uit deze lijst blijkt volgens hem dat een houder van een Eritrese identiteitskaart daarmee zijn of haar identiteit heeft aangetoond. De staatssecretaris heeft om die reden ten onrechte ook nog een gelegaliseerde geboorteakte uit Soedan van hem verlangd. Bovendien vindt volgens [appellant] bij de afgifte van een geboorteakte nooit een deugdelijke identificatie plaats, omdat het geboren kind niet wordt meegenomen naar de locatie waar de aangifte van een geboorte wordt gedaan. Uit het onder 2 geschetste wettelijk kader en beleidskader volgt volgens hem niet dat de identiteit slechts aangetoond kan worden door ook nog een geboorteakte over te leggen. Een identiteitskaart toont bij uitstek de identiteit aan, aldus [appellant].
4.1. De lijst waar [appellant] een beroep op doet, bevat een verwijzing naar ambtsberichten over Eritrea uit 2017 en 2022. Anders dan [appellant] betoogt, maakt deze lijst echter geen onderdeel uit van een Algemeen Ambtbericht over Eritrea, noch uit 2017, noch uit 2022. Afgezien daarvan heeft de rechtbank terecht overwogen dat in een procedure over een naturalisatieverzoek een afzonderlijk toetsingskader geldt. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2890, onder 4. Dit betekent dat de staatssecretaris terecht van [appellant] heeft verlangd dat hij de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van gelegaliseerde documenten en dat daar in beginsel ook een buitenlandse geboorteakte voor nodig is. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat het beleid zoals hiervoor onder 2 is weergeven, op dit punt innerlijk tegenstrijdig is. 4.2. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Conclusie
5. Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris het verzoek terecht heeft afgewezen. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025
922