ECLI:NL:RVS:2025:723
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- B.P. Vermeulen
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam op 6 februari 2024 het besluit om de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 13 augustus 2024 het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening en de beoordeling van de detentieomstandigheden en medische situatie van de vreemdeling in Bulgarije. De minister voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is en dat de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden onvoldoende aanleiding geven om af te wijken van dit beginsel.
De Raad van State oordeelde dat de minister zich deugdelijk had gemotiveerd over de detentieomstandigheden en de medische situatie, en dat de rechtbank dit niet voldoende had erkend. De medische stukken waren onvoldoende onderbouwd en de vreemdeling had niet aannemelijk gemaakt dat in Bulgarije onvoldoende medische zorg beschikbaar is of dat de Bulgaarse autoriteiten niet adequaat zouden handelen.
Daarom werd het hoger beroep van de minister gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.