ECLI:NL:RVS:2025:927
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid tussen moeder en volwassen zoon
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 5 juli 2021 de aanvraag van een Syrische vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling, woonachtig in Algerije, wilde bij haar zoon verblijven die een verblijfsvergunning asiel heeft. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde deze uitspraak en verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond.
De Afdeling oordeelde dat de minister ten onrechte niet alle relevante aspecten van de afhankelijkheid tussen de vreemdeling en haar zoon had betrokken, met name de emotionele band en culturele verschillen in ouder-kindrelaties. De minister moest een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle feiten en omstandigheden die kunnen wijzen op bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Na beoordeling concludeerde de Afdeling dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie die uitstijgt boven het gebruikelijke. De minister had terecht meegewogen dat de vreemdeling financieel niet afhankelijk is, dat zij al sinds 2012 in Algerije woont en dat zij alternatieve huisvesting kan verkrijgen. De emotionele band was onvoldoende om extra afhankelijkheid aan te nemen.
Daarom verklaarde de Afdeling het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf is terecht afgewezen wegens het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen de vreemdeling en haar volwassen zoon.