ECLI:NL:RVS:2024:5072
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- B. Meijer
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen bijkomende afhankelijkheid bij aanvraag machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af voor de moeder en meerderjarige zus van een referent uit Afghanistan. De rechtbank oordeelde dat er wel bijkomende elementen van afhankelijkheid bestonden en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde.
De Raad van State overwoog dat de minister een brede beoordeling moet maken van de afhankelijkheid, waarbij alle individuele omstandigheden betrokken moeten worden. De minister had terecht het lange verblijf van de referent in Nederland en het feit dat hij voor gezinshereniging kwam meegewogen. De culturele context en medische situatie van de moeder waren onvoldoende onderbouwd om bijzondere afhankelijkheid aan te nemen.
De Raad stelde dat het contact en de financiële steun tussen de vreemdelingen en referent niet voldoende zijn om bijkomende afhankelijkheid aan te nemen, mede omdat andere familieleden in Afghanistan zorg kunnen bieden. De belangenafweging door de minister was deugdelijk gemotiveerd en de rechtbank had ten onrechte een eigen oordeel gegeven.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister bevestigd.