202502505/1/A2.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Breda,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 april 2025 in zaak 25/358 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Breda.
Procesverloop
Bij besluit van 23 augustus 2024 heeft de burgemeester een aan [appellant] verleende Alcoholwetvergunning ingetrokken.
Bij besluit van 19 december 2024 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. B.M.C.F. de Groen, advocaat in Breda, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. B.E. de Jong en mr. J. Bajric, allen via videoverbinding zijn verschenen.
Overwegingen
1. Op 6 december 2012 heeft de burgemeester aan [appellant] een Alcoholwetvergunning (hierna: de vergunning) verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf in de inrichting genaamd [horecabedrijf], gevestigd in het perceel [locatie] in Breda.
Bij besluit van 23 augustus 2024 heeft de burgemeester de vergunning per direct ingetrokken, omdat [appellant] volgens de burgemeester van slecht levensgedrag is en het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. De burgemeester heeft daaraan twee strafrechtelijke onderzoeken ten grondslag gelegd naar aanleiding van aangiften van seksueel misbruik waarin [appellant] verdachte is, twee meldingen van seksueel misbruik in de [horecabedrijf] waarbij [appellant] als exploitant is betrokken en nog enkele andere incidenten.
[appellant] is bij vonnis van de strafrechter van 11 december 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest wegens verkrachting. Als bijkomende straf heeft de strafrechter in dat vonnis [appellant] ontzet van het recht tot de uitoefening van het beroep van caféhouder voor de duur van vier jaar. Van het tweede tenlastegelegde feit heeft de strafrechter [appellant] vrijgesproken. In het besluit van 19 december 2024 heeft de burgemeester dit vonnis mede aan de ongegrondverklaring van het bezwaar ten grondslag gelegd.
2. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet langer voldoet aan de eis dat geen sprake is van slecht levensgedrag in enig opzicht. De burgemeester heeft de strafrechtelijke veroordeling voor de verkrachting, hoewel die veroordeling nog niet onherroepelijk is, niet ten onrechte betrokken bij de beoordeling of [appellant] in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Op basis van die veroordeling kan worden uitgegaan van het vermoeden dat [appellant] het strafbare feit heeft gepleegd. De burgemeester heeft verder terecht van doorslaggevend belang geacht dat het strafbare feit volgens het strafvonnis is begonnen in de [horecabedrijf] en vervolgens heeft plaatsgevonden boven de [horecabedrijf] in de woning van [appellant]. De burgemeester heeft op de zitting van de rechtbank toegelicht dat ook de in het besluit van 23 augustus 2024 genoemde incidenten zijn betrokken bij de intrekking van de vergunning. Door de veroordeling wegens het strafbare feit komen de eerdere incidenten volgens de rechtbank in een ander daglicht te staan en dient daaraan een zwaarder gewicht te worden toegekend. Die incidenten ondersteunen de conclusie dat [appellant] niet langer aan de eis voldoet dat geen sprake mag zijn van slecht levensgedrag, aldus de rechtbank.
3. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.3 tot en met 5.5 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
De Afdeling voegt daaraan toe dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de burgemeester aan de strafrechtelijke veroordeling het vermoeden mocht ontlenen dat de verkrachting gedurende de uitoefening van de exploitatie van de horeca-inrichting heeft plaatsgevonden. Zoals bijvoorbeeld volgt uit de uitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1315, onder 5.2, heeft de burgemeester, anders dan [appellant] betoogt, met dat vermoeden in het besluit van 19 december 2024 niet de onschuldpresumptie geschonden. Daarnaast is dat besluit, anders dan [appellant] betoogt, ook niet in strijd met de Dienstenrichtlijn. Het is namelijk evident dat een verkrachting door een horeca-exploitant gedurende de uitoefening van de exploitatie van de horeca-inrichting valt onder het criterium slecht levensgedrag (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1499, onder 4.2). 4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
488-1177