ECLI:NL:RVS:2026:119

Raad van State

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
202405161/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen de beslissing van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de verblijfsvergunning asiel van een minderjarige vreemdeling

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, die op 8 augustus 2024 een besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft vernietigd. De staatssecretaris had op 21 juni 2024 de aanvraag van een Syrische minderjarige vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd buiten behandeling gesteld, met de bepaling dat hij de Europese Unie onmiddellijk moest verlaten. De rechtbank oordeelde dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit had genomen zonder te onderzoeken of er adequate opvang voor de vreemdeling in Syrië beschikbaar was. De minister stelde dat de vreemdeling niet had meegewerkt aan het onderzoek, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet voldoende was om af te zien van nader onderzoek naar de opvangmogelijkheden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat de minister een onderzoeksplicht heeft, ook als de asielaanvraag buiten behandeling is gesteld. De minister moet nu deugdelijk motiveren dat zij voortvarend heeft gehandeld in het onderzoek naar adequate opvang ten tijde van de minderjarigheid van de vreemdeling. De uitspraak heeft implicaties voor de verblijfsstatus van de vreemdeling en de noodzaak voor de minister om opnieuw te beoordelen of er adequate opvang beschikbaar is.

Uitspraak

202405161/1/V1.
Datum uitspraak: 9 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 augustus 2024 in zaak nr. NL24.26237 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld en bepaald dat hij de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten.
Bij uitspraak van 8 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover dat gaat om het terugkeerbesluit.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. D. de Vries, advocaat in Leeuwarden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.       Betrokkene heeft naar gesteld de Syrische nationaliteit. De minister heeft aangenomen dat betrokkene is geboren op [geboortedatum] 2006. Op 16 april 2023 heeft hij in Nederland een asielaanvraag ingediend. Hij was toen 16 jaar. Betrokkene heeft op 19 april 2023 het eerste deel van zijn aanmeldgehoor gehad. Op 26 april 2023 heeft de hoormedewerker het vervolg van dat aanmeldgehoorgehoor met betrokkene niet laten doorgaan, omdat betrokkene voorafgaand aan dat gehoor had laten weten boos te zijn en niet nog een half uur wilde wachten op de start van dat gehoor. Op 18 juni 2023 heeft betrokkene zijn aanmeldgehoor alsnog afgerond.
1.1.    De minister heeft de asielaanvraag van betrokkene in het besluit van 21 juni 2024 buiten behandeling gesteld, omdat betrokkene volgens de minister heeft nagelaten om informatie te verstrekken en niet is verschenen bij een gehoor, zonder reden die maakt dat dit niet aan hem is toe te rekenen (zie artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000). De minister heeft er daarbij op gewezen dat zij op 26 april 2023 geen aanmeldgehoor met betrokkene kon voortzetten. Verder heeft de minister erop gewezen dat betrokkene na uitnodigingen van 20 maart 2024 en 7 mei 2024 niet is verschenen voor het op 18 april 2024 en 3 juni 2024 ingeplande nader gehoor. De minister heeft een terugkeerbesluit over betrokkene genomen met Syrië als land van terugkeer. De minister heeft opgemerkt dat zij haar onderzoek naar adequate opvang voor betrokkene in Syrië niet heeft kunnen afronden. Volgens de minister heeft betrokkene dat onderzoek gefrustreerd en was het niet mogelijk om dit onderzoek af te ronden voordat betrokkene op [geboortedatum] 2024 meerderjarig werd. Verder heeft de minister erop gewezen dat betrokkene heeft verklaard geen problemen te hebben met terugkeer naar Syrië.
1.2.    Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat betrokkene niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Volgens de minister is betrokkene geen alleenstaande minderjarige asielzoeker die buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten, omdat betrokkene het onderzoek naar adequate opvang heeft gefrustreerd en dit voor zijn risico komt (zie artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 en paragraaf B8/6 van de Vc 2000).
1.3.    Deze uitspraak gaat over de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit heeft genomen, gelet op de plicht van de minister om te onderzoeken of betrokkene adequaat kan worden opgevangen in Syrië. Deze uitspraak gaat niet over het door partijen onbestreden oordeel van de rechtbank dat de minister de aanvraag niet ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld.
Het oordeel van de rechtbank over het terugkeerbesluit
2.       De rechtbank heeft overwogen dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2021, TQ, ECLI:EU:C:2021:9, en de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, over dat arrest, volgt dat de minister pas een terugkeerbesluit mag nemen over een alleenstaande minderjarige vreemdeling als zij zich ervan heeft overtuigd dat voor die vreemdeling adequate opvang aanwezig is in zijn land van herkomst.
2.1.    De rechtbank heeft overwogen dat voor betrokkene geldt dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en de minister voorafgaand aan het nemen van een besluit op de aanvraag niet heeft kunnen vaststellen of adequate opvang voor betrokkene aanwezig is in zijn land van herkomst. Zie eerdergenoemde uitspraak van 8 juni 2022, onder 17, situatie 3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij heeft afgezien van nader onderzoek naar adequate opvang voor betrokkene. Volgens de rechtbank volgt uit de door de minister aangehaalde omstandigheid dat betrokkene het onderzoek heeft gefrustreerd door niet te verschijnen voor een nader gehoor, niet dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V) geen nader onderzoek had kunnen doen. De rechtbank heeft verder overwogen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1648, onder 1, niet volgt dat de minister terecht heeft afgezien van nader onderzoek. De uitspraak van 19 april 2024 ging namelijk over de situatie dat de minister nog geen terugkeerbesluit had genomen en DT&V nader onderzoek deed. De rechtbank heeft er tot slot op gewezen dat de minister, als zij opnieuw beoordeelt of zij een terugkeerbesluit over betrokkene mag nemen, niet mag volstaan met de conclusie dat betrokkene inmiddels meerderjarig is en de minister daarom geen onderzoek doet naar adequate opvang. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar eerdergenoemde uitspraak van 8 juni 2022, onder 22 en 26.
Het hoger beroep van de minister
3.       De minister klaagt in haar enige grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister geen terugkeerbesluit over betrokkene had mogen nemen, zonder nader te motiveren waarom zij heeft afgezien van nader onderzoek naar adequate opvang voor betrokkene in Syrië. De rechtbank heeft volgens de minister niet onderkend dat de minister niet verplicht is om zulk onderzoek te doen als een vreemdeling voorafgaand aan het besluit op een asielaanvraag meerderjarig is geworden en de minister geen onderzoek naar adequate opvang heeft kunnen afronden toen die vreemdeling minderjarig was. Volgens de minister is de rechtbank eraan voorbijgegaan dat de minister voortvarend heeft gehandeld in het onderzoek naar adequate opvang toen betrokkene minderjarig was en zij dat onderzoek niet heeft kunnen afronden voordat betrokkene meerderjarig werd, omdat betrokkene dat onderzoek heeft gefrustreerd door niet te verschijnen op zijn nader gehoor.
Heeft de minister een onderzoeksplicht?
4.       Anders dan de minister aanvoert, heeft de rechtbank in deze zaak, waarin de minister de asielaanvraag van betrokkene buiten behandeling heeft gesteld, terecht aangenomen dat voor de minister een onderzoeksplicht voortvloeit uit het arrest TQ. Het arrest TQ en de uitspraak van 8 juni 2022 gingen over een zaak waarin de minister de asielaanvraag van de desbetreffende vreemdeling had afgewezen. Voor de situatie dat de minister een asielaanvraag buiten behandeling stelt, geldt net als voor de situatie dat de minister een asielaanvraag afwijst, dat een vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft. Zie het arrest TQ, punten 39 en 40. Dat betekent dat de desbetreffende vreemdeling valt onder de in artikel 2, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn genoemde werkingssfeer en de vraag voorligt of de minister een terugkeerbesluit moet nemen overeenkomstig het beginsel in artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. In het geval van een minderjarige alleenstaande vreemdeling volgt uit de verplichting van de minister om rekening te houden met het belang van het kind, dat de minister pas een terugkeerbesluit mag nemen als zij heeft onderzocht of voor die vreemdeling adequate opvang beschikbaar is in zijn land van herkomst. Zie artikelen 5, onder a, en 10, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, het arrest TQ, punt 55, en de uitspraak van 8 juni 2022, onder 11.7.
4.1.    Het feit dat de minister de aanvraag van betrokkene buiten behandeling heeft gesteld, omdat hij niet op zijn nader gehoor is verschenen, betekent gelet op het voorgaande dus niet dat voor de minister geen onderzoeksplicht voortvloeit uit het arrest TQ. Dat betrokkene niet op zijn nader gehoor is verschenen, is wel een element dat van belang kan zijn voor het antwoord op de vraag of de minister voortvarend heeft gewerkt aan een onderzoek naar adequate opvang. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, rust op de minister en een vreemdeling een gedeelde verantwoordelijkheid voor het slagen van het onderzoek naar adequate opvang in het land van herkomst. Zie de uitspraak van 21 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3331, onder 4.1. De minister mag van een vreemdeling verwachten dat hij actief en volledig aan het onderzoek meewerkt, onder meer door zoveel mogelijk informatie te verstrekken en door zich te wenden tot hulporganisaties die een rol van betekenis kunnen spelen bij de zoektocht naar en de hereniging met familieleden. Dat betrokkene niet is verschenen op zijn nader gehoor zou de minister kunnen beperken in haar onderzoeksmogelijkheden voor zover die mogelijkheden afhankelijk waren van verklaringen van betrokkene in het nader gehoor. Anders dan bij de afwijzing van een asielaanvraag, ligt bij de buitenbehandelingstelling van een asielaanvraag verder niet voor de hand dat de minister na haar besluit op die aanvraag contact op kan nemen met de autoriteiten in het land van herkomst van een vreemdeling. Vergelijk de uitspraak van 8 juni 2022, onder 13.3, 14.1 en 17(3). Het is aan de minister om te motiveren in hoeverre het feit dat betrokkene niet is verschenen op zijn nader gehoor de minister daadwerkelijk heeft belemmerd in haar onderzoeksmogelijkheden.
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat zij voortvarend onderzoek heeft gedaan naar adequate opvang toen betrokkene minderjarig was?
5.       Anders dan de minister aanvoert, volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2670, onder 16, tweede alinea, en eerdergenoemde uitspraak van 19 april 2024, onder 1, niet dat de rechtbank had moeten oordelen dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat zij bij haar onderzoek naar adequate opvang voortvarend heeft gehandeld en dat zij dat onderzoek niet kon afronden tijdens de minderjarigheid van betrokkene. Uit het terecht door de minister voorgedragen betoog dat betrokkene niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar adequate opvang voor zover dat tijdens een nader gehoor kan plaatsvinden, volgt niet waarom de minister geen onderzoek heeft kunnen doen naar adequate opvang naar aanleiding van de aanknopingspunten die betrokkene eerder heeft aangevoerd. De Afdeling wijst op het volgende.
5.1.    In eerdergenoemde uitspraak van 12 juli 2023 heeft de Afdeling overwogen dat het aan de minister is om in het concrete geval aannemelijk te maken dat zij gedurende de minderjarigheid van een vreemdeling voortvarend aan het onderzoek naar adequate opvang heeft gewerkt. De minister moet in haar asielbesluit inzichtelijk maken welke stappen zij in die periode heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. Daarbij mag de minister ook betekenis toekennen aan de leeftijd van een vreemdeling ten tijde van de asielaanvraag, de beslistermijn op de asielaanvraag en de duur van het onderzoek. Afhankelijk van het antwoord op de vraag of het onderzoek naar adequate opvang tijdig had kunnen worden afgerond, zal de minister moeten motiveren of en, zo ja, op welke wijze aan een vreemdeling een verblijfsrecht volgens het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen zou zijn toegekomen, wat de gevolgen daarvan zouden zijn op de datum van de meerderjarigheid en of de minister alsnog een terugkeerbesluit moet nemen.
5.2.    Uit eerdergenoemde uitspraak van 19 april 2024, onder 1, volgt verder dat de minister in die zaak deugdelijk had gemotiveerd waarom zij het onderzoek naar adequate opvang voor een minderjarig vreemdeling nog wilde voortzetten na het nemen van een asielbesluit door erop te wijzen dat die vreemdeling niet was verschenen voor een nader gehoor.
5.3.    De minister beroept zich tevergeefs op eerdergenoemde uitspraken van 12 juli 2023 en 19 april 2024, omdat zij in deze zaak niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het niet verschijnen van betrokkene voor zijn nader gehoor op 18 april 2024 op zichzelf al maakt dat zij het onderzoek naar adequate opvang niet kon afronden voor de meerderjarigheid van betrokkene en zij terecht een terugkeerbesluit heeft genomen.
5.4.    Die motivering volgt niet uit de door de minister aangehaalde omstandigheden dat zij het onderzoek naar adequate opvang heeft opgestart toen betrokkene minderjarig was door betrokkene in het aanmeldgehoor vragen te stellen over zijn familieleden in Syrië, dat betrokkene vervolgens het onderzoek heeft gefrustreerd door niet te verschijnen voor een nader gehoor en dat zij de gemachtigde van betrokkene heeft gebeld over het niet verschijnen voor een nader gehoor. De minister maakt met haar verwijzing naar die omstandigheden namelijk niet inzichtelijk dat zij geen andere onderzoeksmogelijkheden had ten tijde van de minderjarigheid van betrokkene dan de mogelijkheid die betrokkene heeft gefrustreerd door niet op zijn nader gehoor van 18 april 2024 te verschijnen. Daarbij is van belang dat betrokkene wel aanknopingspunten voor onderzoek naar voren heeft gebracht door te verklaren over familieleden met wie hij toen contact had. Verder blijkt niet dat er geen contact meer met betrokkene zelf, zijn gemachtigde of voogd mogelijk was in het kader van het onderzoek naar adequate opvang. De gemachtigde heeft in de zienswijze toegelicht dat betrokkene niet met onbekende bestemming is vetrokken. Vergelijk ook de genoemde onderzoeksmogelijkheden in eerdergenoemde uitspraak van 8 juni 2022, onder 13.3 tot en met 14.1. Dat DT&V geen onderzoek doet ten tijde van de meerderjarigheid van een vreemdeling, verklaart niet waarom de minister ten tijde van de minderjarigheid van betrokkene DT&V niet heeft gevraagd om onderzoek te doen of toen geen andere onderzoeksmethode kon benutten om zo spoedig mogelijk familieleden van betrokkene op te sporen.
5.5.    Verder voert de minister tevergeefs aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit IB 2023/41, paragraaf 4.4, geldig vanaf 24 mei 2023 tot en met 24 november 2023, volgt dat de minister te weinig tijd had om het onderzoek naar adequate opvang af te ronden voordat betrokkene meerderjarig werd. In het informatiebericht staat dat de minister in het algemeen geen onderzoek naar adequate opvang kan afronden ten tijde van de minderjarigheid van een vreemdeling als de periode tussen de asielaanvraag en het moment dat die vreemdeling meerderjarig is niet langer duurt dan anderhalf jaar. Daarbij staat in de toelichting dat die anderhalf jaar bestaat uit een beslistermijn van zes maanden en een jaar onderzoek door DT&V. Als de minister de beslistermijn verlengt, rekent zij in totaal drie jaar voor onderzoek. De minister maakt niet duidelijk waarom zij zich in deze zaak beroept op het algemene uitgangspunt uit het informatiebericht. Daar komt bij dat uit het dossier op zichzelf niet volgt dat dit algemene uitgangspunt van toepassing is in deze zaak. De periode tussen de aanvraag van betrokkene en het moment dat hij meerderjarig werd, is een jaar en zeventien dagen en daarmee minder dan anderhalf jaar, maar DT&V heeft ten tijde van de minderjarigheid van betrokkene geen onderzoek gedaan.
Conclusie
6.       De grief van de minister slaagt niet. Zij heeft een onderzoeksplicht die voortvloeit uit het arrest TQ als zij de asielaanvraag van een vreemdeling die ten tijde van die aanvraag minderjarig was, buiten behandeling stelt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zij aan die onderzoeksplicht heeft voldaan. Dat betekent dat de minister alsnog deugdelijk moet motiveren dat zij voortvarend heeft gehandeld in het onderzoek naar adequate opvang ten tijde van de minderjarigheid van betrokkene. Als de minister toen niet voortvarend heeft gehandeld, moet de minister alsnog onderzoeken of er ten tijde van de minderjarigheid van betrokkene adequate opvang voor hem beschikbaar was in Syrië. De minister moet vervolgens toelichten wat dit betekent voor de vraag of de inmiddels meerderjarige betrokkene achteraf bezien in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op reguliere gronden en of zij een terugkeerbesluit over betrokkene mag nemen. Dit kan gevolgen hebben voor een beoordeling van de huidige verblijfsstatus van betrokkene. Vergelijk eerdergenoemde uitspraak van 12 juli 2023, onder 16, tweede alinea, en 22. Voor zover de rechtbank in het algemeen heeft geoordeeld dat de minister nader onderzoek moet doen naar adequate opvang voor betrokkene in Syrië, betekent dit niet dat de minister moet onderzoeken of ten tijde van haar nieuwe besluitvorming adequate opvang mogelijk is voor de inmiddels meerderjarige betrokkene.
7.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2026
958