ECLI:NL:RVS:2026:1293

Raad van State

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
202600206/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbArt. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak over beroep tegen examenbeslissing Technische Universiteit Eindhoven

Verzoeker heeft de Afdeling bestuursrechtspraak verzocht om herziening van haar uitspraak van 24 december 2025, waarin het beroep van verzoeker tegen de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Technische Universiteit Eindhoven van 8 september 2025 ongegrond werd verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

De Afdeling heeft het verzoek tot herziening beoordeeld aan de hand van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat herziening mogelijk maakt indien er feiten of omstandigheden zijn die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn bij de indiener, en die tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

De Afdeling oordeelt dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aan deze criteria voldoen. De aangevoerde feiten waren reeds bekend en waren ook in eerdere procedures aan de orde gesteld. Het verzoek om herziening wordt daarom afgewezen. Het college van beroep voor examens hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de uitspraak over het beroep tegen de examenbeslissing wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

202600206/1/A2.
Datum uitspraak: 3 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 van Pro de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2025, in zaak nr. 202505346/1/A2.
Openbare zitting gehouden op 3 maart 2026 om 14:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. P.A. de Vink
Verschenen:
[verzoeker]
[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht om herziening van haar uitspraak van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6215. In die uitspraak heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] tegen de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Technische Universiteit Eindhoven (CBE) van 8 september 2025 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Beslissing
De Afdeling wijst het verzoek af.
Motivering
Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:
"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden."
Het bijzondere rechtsmiddel van herziening kan niet worden gebruikt om het geschil, waarover bij uitspraak is beslist, opnieuw aan de rechter voor te leggen. Ook is dit rechtsmiddel niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om argumenten, die in een eerdere procedure naar voren zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw of alsnog naar voren te brengen en daarmee het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft [verzoeker] over de uitspraak van 24 december 2025 geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Wat [verzoeker] aanvoert heeft hij ook aangevoerd in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 18 december 2025, in zaak nr. 202505346/3/A2, ECLI:NL:RVS:2025:6231, over zijn wrakingsverzoek in zaak nr. 202505346/1/A2. Het verzoek om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2025 wordt daarom afgewezen.
Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
154-1190