ECLI:NL:RVS:2026:1353
Raad van State
- Wraking
- B. Meijer
- C.H.M. van Altena
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Verzoek om wraking afgewezen wegens misbruik van recht door verzoeker
Verzoeker heeft bij e-mail verzocht om wraking van mr. J.F. de Groot als lid van de enkelvoudige kamer die zijn zaak behandelt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022.
De Afdeling constateert dat verzoeker een patroon van misbruik van recht vertoont, zoals eerder vastgesteld in een uitspraak van 23 juli 2025. In de onderhavige procedure is vastgesteld dat verzoeker hoger beroep heeft ingesteld tegen een uitspraak waartegen geen hoger beroep mogelijk is en zich daarbij beledigend uitliet. Ook in het wrakingsverzoek uit verzoeker zich opnieuw beledigend, niet alleen jegens de gewraakte staatsraad maar ook jegens andere staatsraden en een griffier.
Verder blijkt uit de gang van zaken rondom de zitting van 26 februari 2026 dat verzoeker niet gericht is op rechtsbescherming maar op het verstoren van de procesvoering. Het wrakingsverzoek werd een halfuur voor de zitting ingediend en verzoeker verscheen niet zelf, terwijl hij al een week van tevoren had kunnen weten welke staatsraad de zaak behandelde.
Ten slotte heeft verzoeker het wrakingsverzoek zelf ingediend, terwijl hem door een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant is opgelegd alleen via een advocaat te procederen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Gelet op deze omstandigheden verklaart de Afdeling het wrakingsverzoek buiten behandeling en bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt buiten behandeling gelaten wegens evident misbruik van het wrakingsmiddel en een volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen.