ECLI:NL:RVS:2026:1363

Raad van State

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
202206749/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1a AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging handhaving last bestuursdwang verwijdering woonschip zonder geldige ligplaatsontheffing

Appellant sub 1 had een ligplaatsontheffing voor het woonschip "Vooranker" en verving dit schip door "Humpie Dumpie" met een nieuwe ontheffing. Appellant sub 2 had tot 2015 een ligplaatsontheffing voor het woonschip "Claes van Kyten", dat is gezonken en gesloopt. De minister legde aan appellant sub 1 een last onder bestuursdwang op om "Vooranker" te verwijderen wegens het ontbreken van een geldige ligplaatsontheffing.

Beide appellanten maakten bezwaar, dat door de minister niet-ontvankelijk werd verklaard. Appellant sub 2 stelde beroep in tegen een last die aan hem was opgelegd. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant sub 1 terecht niet-ontvankelijk en het beroep ongegrond. Het bezwaar van appellant sub 2 tegen de last aan appellant sub 1 werd gegrond verklaard, maar zijn eigen beroep tegen zijn last werd ongegrond verklaard.

De Raad van State oordeelt dat appellant sub 1 en sub 2 geen belang meer hebben bij hun hoger beroep over de last aan appellant sub 1, omdat het schip "Vooranker" is verwijderd en gesloopt. Het hoger beroep hierover wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van appellant sub 2 over zijn last wordt inhoudelijk behandeld en ongegrond verklaard. De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en wijst de beroepen af.

Uitkomst: Hoger beroep over last aan appellant sub 1 niet-ontvankelijk, hoger beroep appellant sub 2 ongegrond, rechtbankuitspraak bevestigd.

Uitspraak

202206749/1/A3.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1], wonend in [woonplaats],
2. [appellant sub 2], wonend in [woonplaats,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 14 oktober 2022 in zaak nrs. 20/4141, 20/4142 en 21/1071 in het geding tussen:
[appellant sub 1] en [appellant sub 2]
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2020 heeft de minister aan [appellant sub 1] een last onder bestuursdwang opgelegd inhoudende dat [appellant sub 1] het woonschip "Vooranker" moet (laten) verwijderen uit Zijkanaal B.
Bij twee afzonderlijke besluiten van 6 juli 2020 heeft de minister de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 11 december 2020 heeft de minister aan [appellant sub 2] een last onder bestuursdwang opgelegd inhoudende dat [appellant sub 2] het woonschip "Vooranker" moet verwijderen uit Zijkanaal B.
Tegen dit besluit heeft [appellant sub 2] met toepassing van artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en met toestemming van de minister rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.
Bij uitspraak van 14 oktober 2022 heeft de rechtbank het beroep van [appellant sub 2] over de aan [appellant sub 1] opgelegde last gegrond verklaard, het betreffende besluit van 6 juli 2020 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het beroep van [appellant sub 1] over de aan hem opgelegde last en het beroep van [appellant sub 2] over de aan hem opgelegde last zijn ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant sub 1] en de minister hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2025, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.R. Duurland, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant sub 1] had een ligplaatsontheffing voor het woonschip "Vooranker" op [locatie 2] in Zijkanaal B. Hij heeft dat woonschip vervangen voor het woonschip "Humpie Dumpie". Op 25 november 2019 heeft de minister aan [appellant sub 1] een ligplaatsontheffing verleend voor het woonschip "Humpie Dumpie" en de ontheffing voor "Vooranker" ingetrokken. Tot 25 maart 2020 mocht [appellant sub 1] met beide schepen op [locatie 2] liggen, zodat een verhuizing kon plaatsvinden.
2.       [appellant sub 2] had tot 2015 een ligplaatsontheffing voor het woonschip "Claes van Kyten" op [locatie 1] in Zijkanaal B. Dat woonschip is gezonken door een gebrek aan onderhoud. Op 26 mei 2015 heeft [appellant sub 2] afstand gedaan van zijn woonschip en is de eigendom van het woonschip overgedragen aan de minister. Het woonschip "Claes van Kyten" is op 17 juni 2015 overgedragen aan een sloopbedrijf. [appellant sub 2] woonde vanaf mei 2015 tot 16 maart 2020 in een caravan op de oever van [locatie 1]. Vanaf dat moment heeft hij met het woonschip "Vooranker", eigendom van [appellant sub 1], ligplaats ingenomen op de [locatie 1]. Op 5 november 2021 heeft [appellant sub 2] een aanvraag ingediend om hem ontheffing te verlenen van het ligplaatsverbod in Zijkanaal B voor het woonschip "Vooranker" op de locatie [locatie 1], dan wel om de eerder op zijn naam afgegeven ontheffing voor het woonschip "Claes van Kyten" om te zetten op naam van "Vooranker". De minister heeft deze aanvraag afgewezen.
Besluitvorming
3.       Bij besluit van 16 april 2020 heeft de minister aan [appellant sub 1] een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat [appellant sub 1] het woonschip "Vooranker" uit Zijkanaal B moet (laten) verwijderen, omdat het woonschip zonder geldige ligplaatsontheffing ligplaats inneemt. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bezwaar gemaakt. De minister heeft het bezwaar van [appellant sub 1] op 6 juli 2020 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat was ingediend. De minister heeft het bezwaar van [appellant sub 2] op 6 juli 2020 ook niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant sub 2] geen belanghebbende zou zijn bij de last die aan [appellant sub 1] is opgelegd.
Bij besluit van 11 december 2020 heeft de minister aan [appellant sub 2] dezelfde last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat [appellant sub 2] het woonschip "Vooranker" uit Zijkanaal B moet verwijderen. Tegen dit besluit heeft [appellant sub 2] rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.
De aangevallen uitspraak
4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar van [appellant sub 1] tegen de aan hem opgelegde last terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift was overschreden en die termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het beroep van [appellant sub 1] is daarom ongegrond verklaard.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister het bezwaar van [appellant sub 2] tegen de aan [appellant sub 1] opgelegde last ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat [appellant sub 2] als bewoner van het woonschip wel belanghebbende is bij het besluit. Het beroep van [appellant sub 2] is daarom gegrond verklaard en de rechtbank heeft de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het rechtstreekse beroep van [appellant sub 2] met betrekking tot de aan hem opgelegde last ongegrond is. Nu [appellant sub 2] niet over een ligplaatsontheffing beschikt voor het woonschip "Vooranker" was er sprake van een overtreding. De aanvraag voor een ligplaatsontheffing maakt volgens de rechtbank niet dat er concreet zicht was op legalisatie. Die aanvraag is namelijk pas op 5 november 2021, dus ruim na het bestreden besluit van 11 december 2020, ingediend. Handhavend optreden is volgens de rechtbank niet onevenredig.
De hoger beroepen over de last aan [appellant sub 1]
Procesbelang
5.       De minister heeft aangevoerd dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geen belang meer hebben bij de beoordeling van hun hoger beroepen, omdat "Vooranker" inmiddels verwijderd is uit Zijkanaal B. Hiermee is de overtreding beëindigd en heeft de last onder bestuursdwang geen rechtskracht meer.
5.1.    Op de zitting is de Afdeling gebleken dat "Vooranker" door [appellant sub 1] is afgevoerd en door een sloopbedrijf gesloopt is. Op de zitting heeft de minister verder verklaard dat er ten aanzien van [appellant sub 1] geen overtreding meer is. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben daarom geen belang meer bij de beoordeling van hun hoger beroepen, voor zover die gaan over de aan [appellant sub 1] opgelegde last onder bestuursdwang. Zij hebben niet gesteld schade te hebben geleden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 4 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA2198, geeft de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. Als er geen belang meer bestaat bij een beoordeling van de zaak, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Vervolgens moet nog worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de appellant is tegemoetgekomen.
5.2.    Van tegemoetkomen in hiervoor bedoelde zin is geen sprake. Verder is ook niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen.
5.3.    De hoger beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] over de last die aan [appellant sub 1] is opgelegd, zijn niet-ontvankelijk.
5.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Het hoger beroep over de last aan [appellant sub 2]
Procesbelang
6.       Nu "Vooranker" is afgevoerd en gesloopt, kan een oordeel van de Afdeling over de last die is opgelegd aan [appellant sub 2] geen betekenis meer hebben voor die boot. Maar op de zitting is gebleken dat [appellant sub 2] met een andere boot ligplaats heeft ingenomen in Zijkanaal B. De minister heeft verklaard dat er ten aanzien van [appellant sub 2] sprake is van dezelfde overtreding, maar nu met een andere boot. Een oordeel over deze last kan dus betrokken worden bij een toekomstig besluit tot het opleggen van een nieuwe last. [appellant sub 2] heeft daarom nog belang bij de beoordeling van zijn hoger beroep.
Gronden
7.       [appellant sub 2] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen concreet zicht op legalisatie van de overtreding was omdat [appellant sub 2] ten tijde van het besluit van 11 december 2020 nog geen aanvraag voor een ligplaatsontheffing had gedaan. Volgens [appellant sub 2] is dat niet relevant, omdat de ontheffingsverlening voor Zijkanaal B ambtshalve verloopt. Bovendien volgt uit mensenrechtenverdragen dat een overheid zelfstandig zicht op legalisatie moet onderzoeken als er mensenrechten, zoals het recht op privéleven, in het geding zijn. De rechtbank is hier ten onrechte niet op ingegaan.
Beoordeling
7.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
Andere redenen om van handhavend optreden af te zien, kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
7.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat ten tijde van het besluit van 11 december 2020 geen concreet zicht op legalisatie bestond. Naar het oordeel van de Afdeling is niet gebleken dat de ontheffingverlening voor Zijkanaal B altijd ambtshalve verloopt. [appellant sub 2] heeft ligplaatsontheffingen van andere bewoners van Zijkanaal B overgelegd waaruit zou volgen dat ontheffingen ambtshalve worden verleend. Deze ontheffingen zijn ambtshalve verleend in 2008, 2009 en 2010. Ook [appellant sub 2] heeft in 2010 ambtshalve een ligplaatsontheffing gekregen voor het woonschip "Claes van Kyten". De minister heeft hier tegenover gesteld dat deze ontheffingen zijn verleend in het kader van het herinrichtingsproject in Zijkanaal B. Niet gebleken is dat na die herinrichting nog stelselmatig ambtshalve ontheffingen werden verleend. [appellant sub 2] mocht er dus niet vanuit gaan dat hij ambtshalve een ligplaatsontheffing zou krijgen. Hij heeft pas op 5 november 2021 een aanvraag ingediend voor een ligplaatsontheffing voor het woonschip "Vooranker". Dat betekent dat er op 11 december 2020 geen concreet zicht op legalisatie van de overtreding was.
7.3.    Voor zover [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat de last onder bestuursdwang in strijd is met grondrechten of mensenrechten, geldt dat artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) geen recht garandeert op woonruimte (zie Chapman tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 18 januari 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0118JUD002723895, paragraaf 99). Inmenging in het huisrecht dat artikel 8, eerste lid, van het EVRM beschermt, is op grond van het tweede lid gerechtvaardigd, als deze bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van één of meer in dit lid genoemde legitieme doelen. In dat kader moet een evenwichtige afweging hebben plaatsgevonden tussen de belangen van het individu enerzijds en die van de gemeenschap als geheel anderzijds. Met het opleggen van de last onder bestuursdwang is weliswaar sprake van een inmenging in het recht op respect voor de woning, maar deze inmenging is bij wet voorzien en noodzakelijk ter voorkoming van wanordelijkheden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1886, r.o. 6). De minister is namelijk bevoegd om handhavend op te treden tegen een illegale situatie zoals in dit geval en in de regel zelfs verplicht om van die bevoegdheid gebruik te maken. Verder heeft de minister het belang van [appellant sub 2] en het algemeen belang afgewogen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen mocht de minister aan het belang van het voorkomen van een wildgroei aan ligplaatsnemers zonder ligplaatsontheffing ter bewaking van de scheepvaartbelangen een zwaarder gewicht toekennen.
7.4.    Het betoog slaagt niet.
8.       Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.
Slotsom
9.       De hoger beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] over de last die aan [appellant sub 1] is opgelegd zijn niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van [appellant sub 2] tegen het oordeel van de rechtbank over de aan hem opgelegde last is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank in zaaknummer 21/1071 moet daarom worden bevestigd.
10.     De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] tegen de uitspraak van de rechtbank in zaaknr. 20/4142 niet-ontvankelijk;
II.       verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] tegen de uitspraak van de rechtbank in zaaknr. 20/4141 niet-ontvankelijk;
III.      bevestigt de uitspraak van de rechtbank in zaaknr. 21/1071.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Kamperman, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Kamperman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
1000