Uitspraak
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellante twee bestuurlijke boetes van elk €12.000 op wegens het omzetten van zelfstandige woonruimten in onzelfstandige woonruimte zonder vergunning. De rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de vergunningplicht voor omzetting van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte rechtmatig is en niet in strijd met het vrije verkeer van diensten binnen de EU. Appellante werd terecht als overtreder aangemerkt, omdat zij de woningen verhuurde als onzelfstandige woonruimte zonder vergunning en daarmee het omzettingsverbod overtrad.
Hoewel appellante betoogde dat de boetes gematigd moesten worden vanwege haar maatschappelijke inzet en het ontbreken van overlast, acht de Afdeling dit onvoldoende voor matiging. Wel is de redelijke termijn in de procedure met ruim zestien maanden overschreden, waardoor de boetes met 15% worden gematigd. De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en stelt de boetes vast op €10.200 per overtreding.
Uitkomst: De boetes worden gematigd van €12.000 naar €10.200 wegens overschrijding van de redelijke termijn; het hoger beroep wordt gegrond verklaard.