AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen
De minister van Asiel en Migratie had op 29 oktober 2025 besloten om aanvragen van betrokkenen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De rechtbank Den Haag verklaarde deze besluiten op 3 februari 2026 gegrond en vernietigde ze, waarbij de minister werd opgedragen nieuwe besluiten te nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek geen spoedeisend belang had omdat de overdrachtstermijn niet was verlengd en de minister ook zonder nieuw besluit zes maanden de tijd heeft om te beslissen.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00 aan betrokkenen. De uitspraak werd gedaan op 16 maart 2026 door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 3 februari 2026 in zaken nrs. NL25.53185 en NL25.53194 in het geding tussen:
[betrokkene A] en [betrokkene B]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 29 oktober 2025 heeft de minister aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 3 februari 2026 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkenen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in beroep afgewezen. Anders dan de minister veronderstelt, heeft het treffen van de voorlopige voorziening in hoger beroep daardoor niet tot gevolg dat de overdrachtstermijn wordt opgeschort met ingang van de dag na bekendmaking van deze uitspraak (uitspraken van de Afdeling van 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4198 en ECLI:NL:RVS:2023:4199). Dit geeft dus geen spoedeisend belang. Nu niet is gesteld of gebleken dat de overdrachtstermijn is verlengd, verstrijkt die termijn op 9 april 2026. Het treffen van een voorlopige voorziening kan er wel toe leiden dat de minister hangende het hoger beroep geen nieuw besluit hoeft te nemen. Als de minister echter geen nieuw besluit neemt voordat de overdrachtstermijn verstrijkt, moet de minister betrokkenen in de nationale procedure opnemen en heeft hij zes maanden de tijd om op de asielaanvragen te beslissen. Ook de beslistermijn geeft dus geen spoedeisend belang aan het verzoek van de minister.
3. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst het verzoek af. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.