202502502/1/V1.
Datum uitspraak: 13 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 3 april 2025 in zaak nr. 24/11562 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
het COa.
Procesverloop
Bij besluit van 20 juni 2024 heeft het COa bepaald dat het betrokkene overplaatst naar een opvangvoorziening voor meerderjarigen.
Bij besluit van 15 juli 2024 heeft het COa het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het COa een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft het COa hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft op 25 oktober 2023 bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen en verklaard dat zijn geboortedatum [geboortedatum A] 2007 is. Het COa heeft hem daarom in een opvanglocatie voor minderjarigen geplaatst.
1.1. De minister heeft onderzoek gedaan in het Eurodac-systeem. Daaruit is hem gebleken dat betrokkene in Italië geregistreerd staat als meerderjarige. Als gevolg hiervan heeft de minister de geboortedatum van betrokkene in Nederland aangepast naar [geboortedatum B] 2005.
1.2. Omdat de minister de leeftijd van betrokkene heeft aangepast naar meerderjarig, heeft het COa betrokkene overgeplaatst naar een meerderjarigenopvang.
Toetsingskader
2. In de uitspraak van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2011, onder 6.1, heeft de Afdeling overwogen dat het COa in beginsel mag uitgaan van de leeftijdsbepaling door de minister, tenzij een vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat reden voor twijfel bestaat over zijn leeftijd. In dat geval moet het COa navraag doen bij de minister over de leeftijdsbepaling en zich daarover in samenspraak met de minister zelf een standpunt vormen in het kader van de opvangbehoeften van een vreemdeling. 2.1. De Afdeling heeft dit toetsingskader verduidelijkt in de uitspraak van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5822, onder 2.2 tot en met 5.2. Bespreking van de grief
3. Het COa betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij van het COa mag verwachten dat het zich vergewist van de juistheid van de stellingen van de minister. Volgens het COa moet het zich weliswaar een eigen standpunt vormen in het kader van de opvangbehoeften van een vreemdeling, maar dat betekent niet dat het zich moet uitlaten over de leeftijd van die vreemdeling en het handelen van de minister in dat kader moet beoordelen op zorgvuldigheid. De procedure gericht tegen het COa is volgens het COa niet bedoeld voor het beoordelen van bezwaren tegen de kennisgeving van de gewijzigde leeftijdsregistratie en de leeftijdsbepaling door de minister. Een vreemdeling moet zich daarvoor richten tot de minister, aldus het COa. Het COa betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet van de leeftijdsbepaling door de minister mocht uitgaan. Volgens het COa heeft de rechtbank niet onderkend dat het zich, in samenspraak met de minister, een eigen standpunt heeft gevormd over de concrete aanknopingspunten voor twijfel die betrokkene naar voren heeft gebracht.
3.1. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het COa, in het kader van de opvangbehoeften van een vreemdeling, moet nagaan of die vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor twijfel aan de leeftijdsbepaling door de minister. Het COa is niet verplicht om te beoordelen of die leeftijdsbepaling zorgvuldig tot stand is gekomen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, geldt er geen vergewisplicht voor het COa. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het COa verantwoordelijk is voor de opvangbehoeften van een vreemdeling en dat de minister verantwoordelijk is voor de leeftijdsbepaling van een vreemdeling. Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025, onder 2.2.
3.2. Partijen zijn het erover eens dat betrokkene in bezwaar concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de leeftijdsbepaling door de minister naar voren heeft gebracht. Betrokkene heeft laat weten dat hij bij de minister is opgekomen tegen de leeftijdsbepaling. Daarbij heeft hij toegelicht op welke gronden hij dat heeft gedaan. Betrokkene heeft ook een Gambiaanse geboorteakte overgelegd. Partijen zijn het er ook over eens dat het COa, naar aanleiding van deze concrete aanknopingspunten, navraag heeft gedaan bij de minister over de leeftijdsbepaling.
3.3. Het COa heeft zich in het besluit van 15 juli 2024 een eigen standpunt gevormd in het kader van de opvangbehoeften van betrokkene, waarin het, onder verwijzing naar een memo van de minister van 23 mei 2024, is ingegaan op de door betrokkene naar voren gebrachte omstandigheden in bezwaar. Het COa heeft onder meer gewezen op het standpunt van de minister dat betrokkene zijn gestelde minderjarigheid niet met authentieke en identificerende documenten aannemelijk heeft gemaakt. De overgelegde geboorteakte is een indicatief document en kan de gestelde identiteit en leeftijd volgens de minister niet bevestigen. Het COa betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het daarom mocht uitgaan van de leeftijdsbepaling door de minister en betrokkene daarom mocht overplaatsen naar een meerderjarigenopvang. Het COa hoefde niet langer uit te gaan van de aanname van minderjarigheid, bedoeld in het arrest van het EHRM van 21 juli 2022, Darboe en Camara tegen Italië, ECLI:CE:ECHR:2022:0721JUDO00579717, paragrafen 153 en 154. Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025, onder 5.1.
3.4. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 6.9 tot en met 7.3, heeft het COa in beroep nogmaals navraag gedaan bij de minister over de leeftijdsbepaling van betrokkene. Vervolgens heeft het COa in het verweerschrift van 28 februari 2025 zich een eigen standpunt gevormd in het kader van de opvangbehoeften van betrokkene, waarin het COa, onder verwijzing naar een memo van de minister van 27 februari 2025, nogmaals is ingegaan op de omstandigheden die betrokkene in bezwaar naar voren heeft gebracht. Het COa heeft bijvoorbeeld gewezen op het standpunt van de minister dat geboorteaktes uit Gambia fraudegevoelig zijn en dat betrokkene tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn geboorteakte. De rechtbank heeft niet onderkend dat het COa dat deugdelijk gemotiveerd heeft gedaan. 3.5. De grief slaagt.
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat het COa verder aanvoert te bespreken. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen de beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep
5. Betrokkene heeft tevergeefs betoogd dat het COa het besluit van 20 juni 2024 niet heeft verzonden aan zijn gemachtigde, waardoor hij dat besluit pas op 28 juli 2024 van zijn voogd heeft ontvangen. Daargelaten van wie en op welk moment betrokkene dat besluit heeft ontvangen, blijkt uit het bezwaarschrift dat het COa de gemachtigde van betrokkene op 20 juni 2024 op de hoogte heeft gesteld van het besluit om betrokkene over te plaatsen. Hiertegen heeft de gemachtigde vier dagen later, op 24 juni 2024 en dus op tijd, een bezwaarschrift ingediend.
5.1. Het betoog slaagt niet.
6. Betrokkene heeft daarnaast op zichzelf terecht betoogd dat een meerderjarigenopvang geen voorzieningen heeft voor minderjarigen. Het COa maakt namelijk een onderscheid tussen de voorzieningen in de minderjarigen- en meerderjarigenopvang. Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025, onder 5.2. Dit betoog kan betrokkene echter niet baten, omdat het COa mocht uitgaan van zijn door de minister vastgestelde meerderjarige leeftijd en hem daarom mocht overplaatsen naar een meerderjarigenopvang. Daarbij komt dat het COa zich in het besluit van 15 juli 2024 op het standpunt heeft gesteld dat ook meerderjarigen kwetsbaar kunnen zijn en behoefte kunnen hebben aan begeleiding. Het COa heeft daarom gewezen op de ondersteuning op de opvanglocaties voor meerderjarigen en de locatie voor intensieve begeleiding in Schalkhaar. Betrokkene heeft desondanks niet inzichtelijk gemaakt waarom het COa niet voldoet aan zijn verplichting om passende opvang te bieden.
6.1. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Het COa hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 3 april 2025 in zaak nr. 24/11562;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026
941-1046