202500595/1/V2.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 22 januari 2025 in zaak nr. NL24.39275 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
Bij uitspraak van 22 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat in Tilburg, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft de Libische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Hij verblijft sinds 2012 in Nederland en heeft op 5 juli 2018 zijn vierde asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag afgewezen en zich daarbij op het standpunt gesteld dat betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde, omdat hij een bijzonder ernstig misdrijf heeft gepleegd als bedoeld in artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. Betrokkene is op [datum] 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden voor drie aanrandingen en een poging tot aanranding. Daarbij heeft hij twee slachtoffers op het hoofd geslagen en heeft hij de mobiele telefoon van een van de slachtoffers gestolen.
Het hoger beroep van de minister
2. In de eerste grief klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat afzonderlijke misdrijven niet bij elkaar mogen worden samengenomen om zo te voldoen aan de voorwaarden uit artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn.
2.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door betrokkene gepleegde misdrijven bijzonder ernstig zijn in de zin van artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft allereerst niet gemotiveerd waarom de aanrandingen zodanig met elkaar samenhangen dat deze één feitencomplex vormen. In de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:1442, heeft de Afdeling geoordeeld dat in sommige gevallen de strafbare feiten zodanig met elkaar samenhangen, dat deze één feitencomplex vormen en daarmee kunnen worden aangemerkt als een bijzonder ernstig misdrijf in de zin van artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. Paragraaf 4.2.2.1 van het Informatiebericht 2025/10 is, anders dan betrokkene in zijn verweerschrift heeft aangevoerd, in zoverre in lijn met het arrest van het Hof van Justitie van 6 juli 2023, M.A., ECLI:EU:C:2023:543. Vergelijk de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:1442, onder 5.1. 2.2. De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat de minister zijn standpunt in beroep, dat elk van de aanrandingen afzonderlijk een bijzonder ernstig misdrijf is, niet heeft voorzien van een motivering waarbij hij is ingegaan op alle omstandigheden van het geval. In de uitspraak van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1177, heeft de Afdeling het arrest M.A. uitgelegd. Onder 3.1 van die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat uit het arrest volgt dat het begrip bijzonder ernstig misdrijf strikt moet worden uitgelegd. Het moet gaan om een definitieve veroordeling voor een misdrijf dat afzonderlijk gezien bijzonder ernstig is en deze mate van ernst kan niet worden bereikt door een cumulatie van strafbare feiten die op zichzelf niet bijzonder ernstig zijn. Bij de beoordeling van de ernst van het misdrijf moet de minister rekening houden met alle omstandigheden van het betrokken geval. 2.3. De grief slaagt niet. Hoewel de Afdeling zich realiseert dat de door betrokkene gepleegde delicten ernstig zijn, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat een van de gepleegde strafbare feiten voldoet aan het criterium om een delict in de juridische zin van het arrest M.A. aan te kunnen merken als bijzonder ernstig, en dat de minister ook niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat deze feiten met elkaar samenhangen. Daarom komt de Afdeling niet toe aan de beoordeling van de tweede grief van de minister.
Conclusie
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Koelman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
1021