ECLI:NL:RVS:2026:1749
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige verlenging beslistermijn asielverzoeken met negen maanden
Betrokkene, met de Turkse nationaliteit, diende op 10 april 2022 een asielverzoek in. De minister verlengde de beslistermijn van zes maanden met negen maanden via het Wijzigingsbesluit Vc 2000 van 21 september 2022 (WBV 2022/22). Betrokkene stelde de minister in gebreke vanwege het niet tijdig nemen van een besluit en startte een beroep bij de rechtbank, die het beroep ontvankelijk en gegrond verklaarde. De minister ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak schortte de behandeling op en vroeg het Hof van Justitie om prejudiciële uitleg over de voorwaarden voor verlenging van de beslistermijn volgens artikel 31, derde lid, van de Procedurerichtlijn. Het Hof oordeelde in het arrest Zimir dat verlenging alleen is toegestaan bij een aanzienlijke toename van asielverzoeken binnen een kort tijdsbestek, waarbij het aantal verzoeken 'tegelijk' moet zijn ingediend en de beslissingsautoriteit daardoor praktisch niet binnen zes maanden kan besluiten.
De Afdeling past dit arrest toe en concludeert dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan deze cumulatieve voorwaarden is voldaan. De toename van asielverzoeken was geleidelijk over een periode van ongeveer veertien maanden en niet binnen een kort tijdsbestek. Ook speelde de bestaande achterstand bij de IND een rol bij de verlenging, wat volgens het arrest niet is toegestaan. Daarom is WBV 2022/22 onverbindend en geldt de beslistermijn van zes maanden. Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De minister mocht de beslistermijn voor asielverzoeken niet met negen maanden verlengen; de beslistermijn van zes maanden blijft van toepassing.