Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:1769

Raad van State

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
202406876/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 DublinverordeningArt. 4 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:110 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over aanvullend gehoor bij overdracht asielzoeker aan Duitsland op grond van Dublinverordening

De zaak betreft een hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het besluit tot overdracht van betrokkene aan Duitsland vernietigde. De minister had de asielaanvraag van betrokkene niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk was, maar later werd Duitsland als verantwoordelijke lidstaat aangewezen.

De kern van het geschil is of de minister betrokkene een aanvullend persoonlijk gehoor had moeten aanbieden over de overdracht aan Duitsland, naast het eerdere aanmeldgehoor Dublin. De rechtbank oordeelde dat dit niet was gebeurd en verklaarde het besluit gebrekkig.

De Raad van State stelt dat de minister met het eerdere aanmeldgehoor en de mogelijkheid tot schriftelijke reactie aan de vereisten van de Dublinverordening heeft voldaan. Betrokkene heeft geen nieuwe relevante informatie of bezwaren tegen de overdracht aan Duitsland naar voren gebracht. Daarom is het hoger beroep van de minister gegrond en wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het beroep alsnog ongegrond en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het besluit tot overdracht aan Duitsland is rechtmatig.

Uitspraak

202406876/1/V2.
Datum uitspraak: 26 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-­Hertogenbosch, van 6 november 2024 in zaak nr. NL24.29622 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 25 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat betrokkene wordt overgedragen aan Duitsland.
Bij uitspraak van 6 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. P.L.M. Stieger, advocaat in ‘s-Hertogenbosch, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.       De minister heeft de asielaanvraag van betrokkene bij besluit van 15 juni 2022 niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije daarvoor verantwoordelijk was. Het aanmeldgehoor Dublin heeft op 12 december 2021 plaatsgevonden. Op 22 juni 2024 hebben de Bulgaarse autoriteiten de Nederlandse autoriteiten geïnformeerd dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. De Duitse autoriteiten hebben het claimverzoek van Nederland op 2 juli 2024 geaccepteerd. Bij brief van 3 juli 2024 heeft de minister betrokkene in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de verantwoordelijkheid van Duitsland voor de behandeling van het verzoek en daarvoor een termijn gesteld van twee weken. Betrokkene heeft daarop gereageerd. Vervolgens heeft de minister het bij de rechtbank bestreden overdrachtsbesluit genomen. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister betrokkene op grond van de Dublinverordening een aanvullend gehoor had moeten aanbieden over de overdracht aan Duitsland.
Het hoger beroep van de minister
2.       De minister klaagt in zijn eerste grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van een gebrekkig besluit omdat de minister betrokkene, in strijd met artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening, alleen heeft gehoord over zijn bezwaren tegen een overdracht aan Bulgarije en niet over zijn bezwaren tegen een overdracht aan Duitsland.
2.1.    In haar uitspraak van 6 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:919,  heeft de Afdeling geoordeeld dat het beleid van de minister hem de mogelijkheid geeft de vreemdeling in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren, in plaats van een aanvullend gehoor aan te bieden, wanneer een Dublingehoor heeft plaatsgevonden en daarna een ander land mogelijk verantwoordelijk blijkt te zijn.
2.2.    De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat deze werkwijze in strijd is met de Dublinverordening. De minister heeft met het aanmeldgehoor Dublin van 12 december 2021 een persoonlijk onderhoud gevoerd met betrokkene, als bedoeld in artikel 5 van Pro de Dublinverordening. Deze bepaling biedt de mogelijkheid om dit persoonlijk onderhoud, oftewel het aanmeldgehoor Dublin, onder voorwaarden achterwege te laten. Uit het tweede lid, aanhef en onder b, van die bepaling volgt dat daarvoor als voorwaarden gelden dat, ten eerste, de verzoeker de benodigde informatie over de Dublinprocedure heeft ontvangen als bedoeld in artikel 4 van Pro de Dublinverordening en, ten tweede, dat hij de mogelijkheid krijgt om alle verdere informatie te verstrekken die relevant is om op de juiste manier de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen. Vergelijk ook het door de minister aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 30 november 2023, Ministero dell’Interno, ECLI:EU:C:2023:934, punt 124. De mogelijkheid uit artikel 5 van Pro de Dublinverordening om het Dublingehoor onder voorwaarden geheel achterwege te laten is naar analogie van toepassing op de huidige situatie, waarin de minister betrokkene in het kader van de Dublinprocedure al een keer heeft gehoord.
2.3.    De minister heeft met zijn handelwijze aan deze voorwaarden voldaan. Ten eerste heeft betrokkene niet betwist dat hij de benodigde informatie bedoeld in artikel 4 van Pro de Dublinverordening heeft ontvangen tijdens het aanmeldgehoor Dublin van 12 december 2021. Voor de tweede voorwaarde geldt dat de minister betrokkene met zijn brief van 3 juli 2024 heeft gevraagd te reageren op de verantwoordelijkheid van Duitsland. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft betrokkene daarmee voldoende gelegenheid gekregen om zijn bezwaren tegen een overdracht aan Duitsland en verdere relevante informatie naar voren te brengen. Vergelijk de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2025, onder 2.2. Anders dan betrokkene in zijn schriftelijke uiteenzetting aanvoert, heeft de rechtbank uit de omstandigheid dat hij bijna drie jaar geleden voor het laatst is gehoord en de mogelijkheid dat zijn situatie inmiddels volledig gewijzigd kan zijn, ten onrechte afgeleid dat de minister niet kon afzien van een aanvullend gehoor. Daartoe overweegt de Afdeling dat betrokkene in zijn reactie op de brief van 3 juli 2024 alleen het standpunt naar voren heeft gebracht dat Bulgarije nog steeds de verantwoordelijke lidstaat is en heeft nagelaten om eventuele relevante wijzigingen in zijn persoonlijke situatie of concrete bezwaren tegen de overdracht aan Duitsland naar voren te brengen. In beroep en hoger beroep heeft hij dat evenmin gedaan.
2.4.    De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het is niet nodig wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken.
Geen voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
4.       Betrokkene heeft de Afdeling in zijn schriftelijke uiteenzetting verzocht om inhoudelijk te reageren op de door hem opgeworpen vragen, onder de voorwaarde dat het door de minister ingestelde hoger beroep gegrond is. Omdat dit hoger beroep, gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, gegrond is, wordt deze voorwaarde vervuld.
4.1.    Met het verzoek om de vragen inhoudelijk te behandelen, voert betrokkene echter geen gronden aan die zich richten tegen de uitspraak van de rechtbank. Verder reageert appellant uitsluitend op de door de minister ingediende grieven. Dit stuk is dus geen incidenteel hogerberoepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3452, onder 2.
Conclusie
5.       Het hoger beroep van de minister is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­-Hertogenbosch, van 6 november 2024 in zaak nr. NL24.29622;
III.      verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026
936-1169