Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:1877

Raad van State

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
202501593/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep op verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken beroepsgronden

Betrokkene diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie op 12 december 2024 niet-ontvankelijk werd verklaard. Betrokkene stelde beroep in tegen dit besluit, maar zonder het indienen van beroepsgronden. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarbij zij oordeelde dat betrokkene bij terugkeer naar Italië een reëel risico liep op schending van artikel 3 EVRM Pro.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank een onjuiste maatstaf hanteerde voor de Bahaddar-exceptie en dat de drempel voor het toepassen hiervan hoger ligt; er moeten feiten zijn die onmiskenbaar leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro. De minister mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en betrokkene had tijdens haar verblijf in Italië geen situatie ervaren die strijdig was met artikel 3 EVRM Pro.

Verder werd vastgesteld dat betrokkene een geldige verblijfsstatus in Italië heeft en dat het aan haar is om haar rechten daar te effectueren. De rechtbank had ten onrechte de nationale procedureregels buiten toepassing gelaten en een inhoudelijk oordeel gegeven over het besluit terwijl het beroep niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep alsnog niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd.

Uitspraak

202501593/1/V1.
Datum uitspraak: 3 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2025 in zaak nr. NL24.50799 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 12 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       In hoger beroep staat niet ter discussie dat betrokkene haar beroep tegen het besluit van 12 december 2024 niet van beroepsgronden heeft voorzien. De rechtbank heeft echter afgezien van het om die reden niet-ontvankelijk verklaren van het beroep, omdat betrokkene bij terugkeer naar Italië een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM. De minister klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank bij haar oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege moet blijven wegens omstandigheden als bedoeld in het arrest van het EHRM van 19 februari 1998, Bahaddar, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494, paragraaf 45, een onjuiste beoordelingsmaatstaf heeft gebruikt. De rechtbank heeft namelijk overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat betrokkene bij terugkeer naar Italië een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Uit onder andere de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664, onder 11, volgt echter dat voor het toepassen van de Bahaddar-exceptie zich feiten en omstandigheden moeten voordoen die onmiskenbaar zouden leiden tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer van betrokkene naar Italië. De rechtbank heeft dus niet onderkend dat de drempel voor het toepassen van de Bahaddar-exceptie hoger is en dat zich feiten en omstandigheden moeten voordoen die onmiskenbaar in strijd zijn met artikel 3 van Pro het EVRM.
1.1.    De minister voert verder terecht aan dat uit de informatie uit het dossier niet volgt dat betrokkene bij terugkeer naar Italië onmiskenbaar een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. De minister mag voor dat land voor statushouders, zoals betrokkene, nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling onderkent de moeilijke positie van statushouders in Italië, maar dit leidt nog niet tot de conclusie dat de situatie voor statushouders in Italië onmiskenbaar in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2026:265, onder 2.9. De minister brengt terecht naar voren dat betrokkene tijdens haar eerdere verblijf in Italië niet in een situatie terecht is gekomen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Betrokkene had werk, zij heeft tijdens haar verblijf in Italië verbleven bij een vriendin en zij is, naar eigen zeggen, uit Italië vertrokken om de vader van haar ongeboren kind te zoeken, en niet wegens de moeilijke positie voor statushouders.
De grief slaagt.
2.       De Afdeling onderkent dat betrokkene als alleenstaande ouder geen makkelijke positie in Italië heeft. De minister voert in zijn derde grief echter terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat betrokkene in Italië een verblijfsstatus heeft en dat het in de eerste plaats aan haar is om haar rechten in Italië te effectueren. Betrokkene heeft op 13 november 2019 haar Italiaanse verblijfsstatus gekregen. De minister wijst terecht op de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253, onder 5.1.2, waaruit volgt dat een verblijfsvergunning expliciet moet zijn ingetrokken om tot de conclusie te komen dat een vreemdeling geen verblijfsstatus meer heeft. Dit betekent dan ook dat de minister, anders dan de rechtbank heeft overwogen, er nog steeds van uit mag gaan dat betrokkene in Italië een verblijfsstatus heeft. Betrokkene heeft ook niet betwist dat zij in Italië een verblijfsstatus heeft.
De grief slaagt.
3.       Gelet op het voorgaande klaagt de minister terecht dat de rechtbank ten onrechte de nationale procedureregels buiten toepassing heeft gelaten en ervan heeft afgezien om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank heeft verder overwogen dat de minister in het besluit en het verweerschrift niet kenbaar rekening heeft gehouden met de belangen van het ongeboren kind van betrokkene. Gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen over het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep, heeft de rechtbank met deze overweging ten onrechte een inhoudelijk oordeel gegeven over het besluit. Aan die beoordeling kwam de rechtbank, achteraf bezien, namelijk niet toe. Alleen al om deze reden slaagt ook de tweede grief van de minister.
4.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat in hoger beroep niet ter discussie staat dat betrokkene in beroep geen beroepsgronden heeft ingediend, verklaart de Afdeling het beroep alsnog niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2025 in zaak nr. NL24.50799;
III.      verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026
977