202403580/1/A2.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Amstenrade, gemeente Beekdaelen,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen,
verweerder.
Procesverloop
Bij uitspraak van 14 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:618) heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 december 2021 in zaak nr. 20/303 vernietigd, het besluit van het college van 30 september 2020 vernietigd en bepaald dat tegen een nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. Bij besluit van 30 april 2024 heeft het college de aanvraag van [appellante] om bekostiging van leerlingenvervoer voor haar zoon voor het schooljaar 2020-2021 opnieuw afgewezen.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. K.W. Menig, advocaat in Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door drs. F.J. Peters, S.Y. Pieper en mr. A.S.J.M. Jeurissen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft voor haar zoon [zoon] voor het schooljaar 2020-2021 een aanvraag ingediend voor de bekostiging van leerlingenvervoer naar en van de school Kindsheid Jesu in Hasselt (België). Dit is een school voor voortgezet onderwijs die beschikt over deskundigheid op het gebied van jongeren met een autismespectrumstoornis. [zoon] verblijft ook drie nachten per week op het bij de school behorende internaat.
Bij besluit van 30 september 2020 heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft aan die afwijzing onder meer ten grondslag gelegd dat op grond van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Beekdaelen 2019 (hierna: de Verordening), de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de WVO) en de Wet op de expertisecentra (hierna: de WEC) in beginsel geen aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school in het buitenland. Het college heeft ook geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 23 van de Verordening.
Uitspraak van 14 februari 2024
2. In de uitspraak van 14 februari 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college de aanvraag niet op voorhand mocht afwijzen omdat het leerlingenvervoer naar een school in België betreft. De Afdeling heeft in die uitspraak verder geoordeeld dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. In de uitspraak is bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
Besluit van 30 april 2024
3. Bij het besluit van 30 april 2024 heeft het college de aanvraag van [appellante] om bekostiging van leerlingenvervoer voor haar zoon voor het schooljaar 2020-2021 opnieuw afgewezen. Het college heeft zich in dat besluit op het standpunt gesteld dat op de aanvraag om bekostiging van leerlingenvervoer de Jeugdwet van toepassing is. Op grond van die wet bestaat geen grond voor inwilliging van het verzoek, omdat het college vanaf het schooljaar 2020-2021 al de internaatkosten vergoedt. Daarnaast hoeft geen jeugdhulp te worden toegekend, omdat [appellante] vanaf de aanvraag zelf voor het vervoer naar de school in België heeft zorggedragen en daaruit blijkt dat zij beschikt over voldoende draagkracht.
Het college heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat op grond van de Verordening geen aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school in het buitenland. Daarom wordt niet toegekomen aan toepassing van de hardheidsclausule. Het is volgens het college niet aan de rechter om te bepalen welke eisen of criteria de regelgever had moeten stellen en welke belangen hij hierbij had moeten betrekken. Het college voegt hieraan toe dat de rechtbank Limburg in de uitspraak van 2 juni 2016 (ECLI:NL:RBLIM:2016:4571) heeft geoordeeld dat de Nederlandse onderwijswetgeving noch de Verordening een grondslag biedt voor de gevraagde bekostiging van de vervoerskosten die in het schooljaar 2015-2016 zijn gemaakt ten behoeve van het vervoer van [zoon] naar en van de gemeentelijke basisschool in Rekem. In deze procedure moet van dat oordeel worden uitgegaan. Het college heeft zich meer subsidiair op het standpunt gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven voor toepassing van de hardheidsclausule. Dit blijkt uit het feit dat in de regio Parkstad 122 kinderen onderwijs in België volgen en er meer kinderen in die regio zijn met autisme die naar een school in Nederland gaan. Als er al sprake zou zijn van een vergoeding van het leerlingenvervoer, is de dichtstbijzijnde toegankelijke school het Pleincollege Helder in Eindhoven. Daarbij is volgens het college van belang dat [zoon] een psycholoog in Eindhoven bezoekt, waaruit blijkt dat reizen van en naar Eindhoven geen probleem is. [zoon] kan ook door middel van taxivervoer naar Eindhoven worden vervoerd, aldus het college.
Beroep
4. [appellante] betoogt dat het college in het besluit van 30 april 2024 de uitspraak van 14 februari 2024 niet in acht heeft genomen. Het college neemt daarin standpunten in die eerder aan de orde zijn gesteld of hadden kunnen worden gesteld. De weigerachtige houding van het college is volgens [appellante] in strijd met het verbod van vooringenomenheid.
[appellante] voert daartoe aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de Jeugdwet op de aanvraag om bekostiging van leerlingenvervoer van toepassing is. De Afdeling heeft in de uitspraak van 14 februari 2024 al vastgesteld dat op de aanvraag de Verordening, de WVO en de WEC van toepassing zijn. Verder dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de vergoeding van de internaatvoorziening op grond van de Jeugdwet en een bekostiging voor het leerlingenvervoer naar de school. Dat de kosten voor het internaat worden vergoed, maakt dus niet dat het college aan de verplichting op grond van de Verordening heeft voldaan. Ook als de Jeugdwet wel van toepassing zou zijn, heeft het college onvoldoende onderzoek naar haar draagkracht gedaan.
[appellante] voert daarnaast aan dat al uit de uitspraak van 14 februari 2024 volgt dat het standpunt van het college dat op grond van de Verordening geen aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar het buitenland geen stand kan houden. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Limburg gaat volgens [appellante] niet op, omdat die uitspraak gaat over een andere situatie en die uitspraak al in de eerdere procedure aan de orde is geweest.
[appellante] voert verder aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om de hardheidsclausule toe te passen. Het college heeft daarvoor geen op de concrete situatie toegespitste onderbouwing gegeven. Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat als er al een bekostiging moet worden toegekend, die zou moeten gelden voor de school in Eindhoven, voert [appellante] aan dat al is vastgesteld en onderbouwd dat de dichtstbijzijnde toegankelijk school met passend onderwijs voor [zoon] de school in Hasselt is. Vergoeding van leerlingenvervoer door middel van taxivervoer naar Eindhoven is bovendien mosterd na de maaltijd, omdat [zoon] inmiddels niet meer naar die school gaat. Over het bezoek aan een psycholoog in Eindhoven voert [appellante] aan dat dit wel degelijk veel moeite, tijd, energie en geld heeft gekost en dat dit niet wekelijks plaatsvond.
4.1. De Afdeling stelt voorop dat het in dit geval gaat om een nader besluit na vernietiging door de Afdeling van het eerdere besluit van 30 september 2020. Het college heeft in het besluit van 30 september 2020 de aanvraag getoetst aan de voorwaarden van de Verordening. De rechtbank heeft in de uitspraak van 21 december 2021 ten onrechte geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Verordening geen grondslag biedt voor bekostiging van leerlingenvervoer naar België en dat het college kon besluiten geen toepassing te geven aan de daarin opgenomen hardheidsclausule. De Afdeling heeft in de uitspraak van 14 februari 2024 het door [appellante] daartegen ingestelde hoger beroep daarom gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Het college heeft, door in het besluit van 30 april 2024 de aanvraag te toetsen aan de voorwaarden uit de Jeugdwet, na de uitspraak van 14 februari 2024 een geheel nieuwe grondslag voor de afwijzing van de aanvraag opgevoerd. Het college was er als gevolg van de uitspraak van 14 februari 2024 evenwel toe gehouden opnieuw op de aanvraag van [appellante] te beslissen met inachtneming van die uitspraak. Het college heeft zich niet aan deze opdracht gehouden en is hiermee buiten het beoordelingskader getreden. Door in het besluit van 30 september 2020 de aanvraag te toetsen aan de Verordening en in beroep en hoger beroep - gelet op de uitspraak van 14 februari 2024 ten onrechte - het standpunt te verdedigen dat de Verordening geen grondslag biedt voor toekenning van een bekostiging voor leerlingenvervoer naar een school België, stond het het college niet meer vrij zich in deze fase van het geding nog op het standpunt te stellen dat op de aanvraag niet de Verordening maar de Jeugdwet van toepassing is. Indien hij dat meende had hij dit naar voren moeten brengen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 14 februari 2024. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het hier gaat om een tweepartijengeschil over een bekostiging van leerlingenvervoer en voor het college geen belemmering bestond om het eerst in het besluit van 30 april 2024 ingenomen standpunt al van meet af aan in te nemen. Het onnodig laat wijzigen van het standpunt over de wettelijke grondslag van de aanvraag tot in deze fase van het geding zou [appellante] naar het oordeel van de Afdeling onevenredig belasten en belemmert een efficiënte rechtsgang. Dit zou mogelijk anders zijn geweest als de Verordening niet de juiste grondslag voor de besluitvorming op de aanvraag was. Daarvan is evenwel niet gebleken. De Afdeling komt daarom niet toe aan een beoordeling van het primair ingenomen standpunt van het college dat op grond van de Jeugdwet geen grond bestaat voor inwilliging van het verzoek (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3901). 4.2. In de uitspraak van 14 februari 2024 is al geoordeeld dat de WVO en de WEC niet in de weg staan aan de bevoegdheid van het college om met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 23 van de Verordening van de bepalingen van de Verordening af te wijken en dat het college de aanvraag dus niet op voorhand mocht afwijzen omdat het leerlingenvervoer naar een school in België betreft. Dit oordeel is met de uitspraak van de Afdeling in rechte vast komen te staan. Van dit oordeel kan dan ook niet, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen, worden teruggekomen. De Afdeling ziet in de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 juni 2016 geen aanleiding voor het oordeel dat van een zeer uitzonderlijk geval sprake is.
4.3. [appellante] voert verder terecht aan dat het college met het standpunt dat in de regio Parkstad 122 kinderen onderwijs in België volgen en er in die regio meer kinderen met autisme zijn die naar een school in Nederland gaan, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om de hardheidsclausule toe te passen. Het college heeft niet aan de hand van de daarover door [appellante] overgelegde stukken gemotiveerd waarom de school in Hasselt voor [zoon] niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school is die voor hem passend onderwijs biedt. Dit terwijl de Afdeling in de uitspraak van 14 februari 2024 heeft overwogen dat [appellante] hiervoor voldoende concrete handvatten heeft geboden. Ook heeft het college niet gemotiveerd dat geen van de 122 genoemde kinderen zich in dezelfde situatie bevinden als [zoon]. Of het college met toepassing van de hardheidsclausule had kunnen volstaan met een vergoeding van leerlingenvervoer in de vorm van taxivervoer naar het Pleincollege Helder in Eindhoven, kan in het midden blijven. Op 30 april 2024 was het schooljaar 2020-2021 ruimschoots verstreken, waardoor het ten tijde van het nemen van dat besluit feitelijk onmogelijk was om nog leerlingenvervoer in de vorm van taxivervoer voor dat schooljaar te verlenen.
4.4. De Afdeling concludeert dat het college er opnieuw niet in is geslaagd om te motiveren waarom [appellante] niet in aanmerking komt voor bekostiging van het leerlingenvervoer van [zoon] en waarom het in dit geval geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule. De Afdeling ziet, gelet op al hetgeen [appellante] ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd en op het verzoek van beide partijen om tot een finale beslechting van het geschil te komen, grond om te oordelen dat [appellante] in dit geval wel een geslaagd beroep op de hardheidsclausule kon doen. [appellante] had daarom in het schooljaar 2020-2021 in aanmerking moeten komen voor aangepast leerlingenvervoer voor haar zoon [zoon] naar de school Kindsheid Jesu in Hasselt. Of het college in strijd heeft gehandeld met het verbod van vooringenomenheid kan daarmee in het midden blijven.
4.5. Het betoog slaagt.
Slotsom
5. Het beroep is gegrond. Het besluit van 30 april 2024 komt wegens strijd met het motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. De Afdeling ziet, mede gelet op het tijdsverloop sinds de aanvraag en de omstandigheid dat partijen zelf hebben verzocht om finale geschilbeslechting, aanleiding om handvatten aan te reiken op basis waarvan het college dit nieuwe besluit dient te nemen. De Afdeling gebruikt daarvoor de door partijen zelf gegeven concrete toelichtingen en uitgangspunten. Daarbij merkt de Afdeling op dat het nieuw te nemen besluit alleen betrekking kan hebben op het schooljaar 2020-2021. Het college heeft evenwel ter zitting toegezegd dat het op de aanvragen voor de overige schooljaren dat [zoon] de school in België heeft bezocht ook met inachtneming van de in deze uitspraak geformuleerde handvatten zal beslissen.
6. Het college dient bij het nieuw te nemen besluit aan [appellante] een bekostiging van leerlingenvervoer toe te kennen op basis van een kilometervergoeding voor de auto. Met inachtneming van de maatregelen vanwege de COVID-19 pandemie gaat de Afdeling, net als partijen, uit van een halvering van het aantal van 38 weken dat [zoon] in het schooljaar 2020-2021 de school heeft bezocht. De bekostiging dient dus plaats te vinden op basis van het uitgangspunt dat [zoon] gedurende 19 weken naar school moest worden vervoerd. Daarbij is [appellante] uitgegaan van 8 reisbewegingen per week, omdat zij [zoon] iedere maandag en donderdag naar school bracht en hem iedere woensdag en vrijdag daar weer ophaalde, terwijl het college 4 reisbewegingen per week tot uitgangspunt neemt. De Afdeling is van oordeel dat, vanwege het verblijf van [zoon] op het bij de school behorende internaat, het college bij de vaststelling van de vergoeding op grond van de hardheidsclausule mag aanknopen bij de artikelen 20 en 21 van de Verordening, die uitgaan van één reis per weekeinde. Tegen die achtergrond bestaat geen aanleiding om een vergoeding toe te kennen voor het vervoer van [zoon] op de woensdagen en de donderdagen. Het college mag bij het nieuw te nemen besluit dus 4 reisbewegingen per week tot uitgangspunt te nemen.
6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de reisafstand van het thuisadres van [zoon] naar de school Kindsheid Jesu 52,5 km bedraagt. Partijen zijn wel verdeeld over de hoogte van de kilometervergoeding. Op grond van artikel 19, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening is het bedrag van de kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland (hierna: de Regeling). Op grond van artikel 2 van de Regeling bedraagt de kilometervergoeding voor de auto € 0,37 per km. Ondanks dat de Regeling per 1 januari 2020 is komen te vervallen, moet naar het oordeel van de Afdeling voor het schooljaar 2020-2021 van het laatst bekende bedrag van de Regeling worden uitgegaan. Daartoe is van belang dat pas met de inwerkingtreding van de Verordening leerlingenvervoer Beekdaelen 2022 op 1 januari 2022 voor de kilometervergoeding voor de auto wordt aangesloten bij het bedrag van de belastingvrije kilometervergoeding.
6.2. Partijen zijn eveneens verdeeld over het aanvangsmoment voor de wettelijke rente. Daarover overweegt de Afdeling als volgt. Als een afwijzende beschikking tot betaling door het bestuursorgaan als gevolg van bezwaar of beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling, is het bestuursorgaan op grond van artikel 4:102, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest als de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven. De aanvraag is door het college ontvangen op 4 augustus 2020. De beslistermijn bedroeg, met inachtneming van de mogelijkheid van artikel 5, vierde lid, van de Verordening om de beslistermijn met vier weken te verdagen, twaalf weken na ontvangst van alle benodigde gegevens. De betalingstermijn bedroeg op grond van artikel 4:87, eerste lid, van de Awb zes weken. Ervan uitgaande dat bij de aanvraag alle benodigde gegevens waren verstrekt en op de laatste dag van de beslistermijn een juiste beslissing op die aanvraag was genomen, is het verzuim op 9 november 2020 ingetreden. Het college is daarom vanaf die dag tot de dag van betaling wettelijke rente aan [appellante] verschuldigd.
7. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld. De Afdeling gaat er, gelet op de wens van partijen om het geschil finaal te beslechten, evenwel van uit dat het gebruik maken van deze mogelijkheid niet nodig zal zijn.
8. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Overschrijding redelijke termijn
9. [appellante] heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188) is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is. Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk. Die termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. 9.2. In dit geval heeft het college na instemming met het rechtstreeks beroep het bezwaarschrift aan de rechtbank doorgezonden ter behandeling als beroepschrift. De termijn is in dit geval daarom aangevangen op het moment van ontvangst van het doorgezonden bezwaarschrift door de rechtbank.
9.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3865) moet ook bij een rechtstreeks beroep een redelijke termijn van in totaal vier jaar worden aangehouden. De behandeling van het beroep mag ten hoogste twee jaar duren, ongeacht of een bezwaarprocedure is gevolgd. Voor de berechting van een zaak in hoger beroep geldt ook als uitgangspunt dat de uitspraak moet worden gedaan binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld. 9.4. Het college heeft het ter behandeling als beroepschrift doorgezonden bezwaarschrift op 19 november 2020 ontvangen. De rechtbank heeft bij uitspraak van 21 december 2021 op het beroep beslist. De Afdeling heeft het daartegen door [appellante] ingestelde hoger beroep ontvangen op 27 januari 2022. De Afdeling heeft bij uitspraak van 14 februari 2024 op het hoger beroep beslist en heeft daarbij bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. Het college heeft ter uitvoering van die uitspraak op 30 april 2024 een nieuw besluit genomen. De Afdeling heeft het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ontvangen op 7 juni 2024.
9.5. Vanaf de ontvangst van het als beroepschrift doorgezonden bezwaarschrift op 19 november 2020 zijn in totaal 5 jaar en bijna twee maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met een jaar en bijna twee maanden is overschreden. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging of verkorting van deze termijn.
9.6. In zaken waarin een judiciële lus is toegepast, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan. Een uitzondering hierop is als in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. Daarvan is in dit geval sprake. De rechtbank heeft weliswaar binnen de redelijke behandelingsduur van twee jaar uitspraak gedaan op het bij haar ingestelde beroep. De Afdeling heeft de redelijke behandelingsduur in hoger beroep van twee jaar evenwel met ruim twee weken overschreden. Vervolgens heeft de Afdeling de redelijke behandelingsduur van anderhalf jaar voor het beroep tegen het nieuwe besluit van 30 april 2024 met meer dan twee maanden overschreden.
9.7. Het verzoek van [appellante] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan [appellante] toe te kennen schadevergoeding € 1.500,00. De Afdeling zal het college en de Staat veroordelen tot vergoeding van de door [appellante] geleden immateriële schade.
10. Het college en de Staat worden ieder veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten die [appellante] heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek. Deze kosten bestaan uit het indienen van het verzoek. De Afdeling zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen van 30 april 2024, kenmerk Z/22/170993 360803;
III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
IV. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen om aan [appellante] een schadevergoeding van € 1.250,00 te betalen;
VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellante] een schadevergoeding van € 250,00 te betalen;
VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.941,25, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
X. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Beekdaelen aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 274,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Komduur
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
809