Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2131

Raad van State

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.000037
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag met proceskostenvergoeding

Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat de minister nog geen besluit had genomen.

Nadat appellant hoger beroep instelde, nam de minister alsnog een besluit op 29 januari 2026, waarmee appellant geheel werd tegemoetgekomen. Hierdoor was het belang van het hoger beroep komen te vervallen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en oordeelde dat de minister de proceskosten van appellant moest vergoeden, omdat het alsnog nemen van het besluit werd gezien als tegemoetkomen aan appellant. De vergoeding werd vastgesteld op € 467,00, met een wegingsfactor van 0,5 vanwege de aard van het hoger beroep.

Appellant heeft niet aangegeven het besluit van de minister te betwisten, zodat er geen beroep van rechtswege is ontstaan. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer op 20 april 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard en de minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitspraak

BRS.26.000037
Datum uitspraak: 20 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 december 2025 in zaak nr. NL25.28828 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 9 december 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 29 januari 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant ingewilligd.
Appellant is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.
Overwegingen
1.        Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de aanvraag van 11 oktober 2023. Dat heeft de minister bij het besluit van 29 januari 2026 wel gedaan. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft appellant het doel van deze procedure bereikt.
2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3.        Niettemin moet worden bezien of de minister met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan appellant tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1). Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat, wanneer de minister hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit dit besluit alsnog neemt, dit wordt aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb (uitspraken van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665, onder 1.2, en 24 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4296, onder 5). Dat het hoger beroep gaat over het al dan niet opnieuw in gebreke stellen van de minister, laat onverlet dat het belang van een uitspraak is komen te vervallen doordat de minister een besluit heeft genomen. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
4.        De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0.5 toe.
Het besluit van 29 januari 2026
5.        De minister is in het besluit van 29 januari 2026 geheel aan de aanvraag van appellant tegemoetgekomen. Appellant heeft desgevraagd niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Stoové
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026
1028