ECLI:NL:RVS:2026:2392
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onjuiste wettelijke grondslag bewaring vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene op 30 augustus 2024 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, oordeelde dat de bewaring op een onjuiste wettelijke grondslag berustte en beval opheffing van de bewaring met schadevergoeding.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank buiten haar bevoegdheid was getreden door de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit inhoudelijk te toetsen, terwijl dit niet tot haar bevoegdheid behoort. De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank.
De Afdeling beoordeelde vervolgens de overige beroepsgronden van betrokkene, waaronder de zorgvuldigheid van de voorbereiding van de bewaring, de voortvarendheid van de minister bij de uitzetting en de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit. Geen van deze gronden slaagde.
De Afdeling concludeerde dat de bewaring rechtmatig was opgelegd en dat het beroep van betrokkene ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene alsnog ongegrond verklaard.