ECLI:NL:RVS:2026:2430
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing verkeersbesluit en handhavingsverzoeken ligplaatsverbod steiger Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde een ligplaatsverbod in voor een steiger aan de Borneokade om de veiligheid van zwemmers te waarborgen. Appellanten, wonend op een nabijgelegen woonboot en exploitanten van een bed and breakfast, ervaarden overlast van zwemmers en maakten bezwaar tegen het verkeersbesluit en handhavingsbesluiten.
De rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen van appellanten gegrond, vernietigde de besluiten en beval het college nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Het college stelde nieuwe besluiten op, waarbij het ligplaatsverbod werd gehandhaafd met een belangenafweging en het handhavingsverzoek op grond van het bestemmingsplan werd toegewezen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het college terecht een belangenafweging maakte waarbij het algemene veiligheidsbelang zwaarder woog dan het individuele belang van appellanten. De Afdeling bevestigt dat het gebruik van de steiger niet als extensief maar als intensief medegebruik moet worden aangemerkt, waardoor handhaving op grond van het bestemmingsplan gerechtvaardigd is. Het beroep tegen het besluit op grond van de APV wordt ongegrond verklaard omdat geluidsoverlast door stemgeluid niet onder de betreffende APV-bepaling valt.
De Afdeling vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het handhavingsverzoek op grond van de APV toewijst, bevestigt de rest van de uitspraak en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten aan appellanten.
Uitkomst: De Afdeling vernietigt het deel van de uitspraak dat het handhavingsverzoek op grond van de APV toewijst, bevestigt de rest van de uitspraak en verklaart het hoger beroep van het college gegrond.