ECLI:NL:RVS:2026:2659
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- C.J. Borman
- J. Luijendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf in gezinshereniging
De zaak betreft een hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van betrokkenen tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf gegrond verklaarde. Betrokkenen, Syrische staatsburgers, vroegen om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging met hun meerderjarige zoon, die onder het jongvolwassenenbeleid valt.
De rechtbank oordeelde dat de minister een onjuist toetsingskader had gehanteerd en onvoldoende had gemotiveerd hoe hij de belangen van betrokkenen en de Nederlandse Staat had afgewogen. De minister erkende dit en nam een nieuw besluit op bezwaar, dat opnieuw werd afgewezen. In het hoger beroep klaagde de minister over enkele aspecten van de belangenafweging van de rechtbank, zoals de beoordeling van de afhankelijkheid van de zoon, de objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië voort te zetten en de rol van het eigen onderhoud van de zoon.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister terecht gewicht mag toekennen aan de feitelijke invulling van het gezinsleven en dat hij de belangen zorgvuldig heeft afgewogen, inclusief de objectieve belemmeringen en het feit dat de zoon niet in eigen onderhoud voorziet. De grief van de minister faalt echter omdat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden en verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit van de minister ongegrond.