ECLI:NL:RVS:2026:2874

Raad van State

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
202405999/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking hoger beroep wegens niet-tijdig besluit asielaanvraag

Verzoeker stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over een asielaanvraag. Tijdens de procedure trok verzoeker het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a Awb.

De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister met een besluit van 26 januari 2026 alsnog aan verzoekers aanvraag tegemoet is gekomen, hoewel dit besluit later was dan de wettelijk toegestane termijn van zes maanden, zoals bepaald na vernietiging van WBV 2022/22.

Gezien het feit dat de minister alsnog een besluit heeft genomen en verzoeker het hoger beroep introk, oordeelde de Afdeling dat de minister de proceskosten van verzoeker moet vergoeden. De vergoeding werd vastgesteld op € 467,00, gerelateerd aan beroepsmatige rechtsbijstand.

Er is geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 26 januari 2026, omdat verzoeker niet heeft gereageerd op dat besluit. De Afdeling wees het verzoek om proceskostenvergoeding toe met een wegingsfactor van 0,5, omdat het hoger beroep uitsluitend ging over het niet tijdig nemen van het besluit.

Uitkomst: De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker wegens niet-tijdig besluit op de asielaanvraag.

Uitspraak

202405999/1/V1.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht; Awb).
Procesverloop
Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat in Heerenveen, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s Hertogenbosch, van 13 september 2024 in zaak nr. NL23.20136.
De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend.
Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Overwegingen
Het verzoek om een proceskostenveroordeling
1.       Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75a van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan hem is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2.       De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, prejudiciële vragen gesteld over de vraag of de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden mocht verlengen. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, Zimir, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling heeft op 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1749, einduitspraak gedaan, waarin zij tot de conclusie is gekomen dat WBV 2022/22 onverbindend is.
3.       De aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) van 25 december 2022 valt onder het toepassingsbereik van WBV 2022/22. Aangezien WBV 2022/22 onverbindend is, had de minister zes maanden de tijd om een besluit te nemen op de asielaanvraag van verzoeker. De minister heeft op 26 januari 2026 een besluit genomen. De minister is inmiddels aan verzoeker tegemoetgekomen aangezien hij hangende de procedure tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag alsnog een besluit heeft genomen. De Afdeling ziet aanleiding om de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker te veroordelen.
4.       De Afdeling wijst het verzoek toe. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
He besluit van 26 januari 2026
5.       De minister is in het besluit van 26 januari 2026 geheel aan de aanvraag van verzoeker tegemoetgekomen. Hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft verzoeker niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
966