ECLI:NL:RVS:2026:2874
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding proceskosten na intrekking hoger beroep wegens niet-tijdig besluit asielaanvraag
Verzoeker stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over een asielaanvraag. Tijdens de procedure trok verzoeker het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a Awb.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister met een besluit van 26 januari 2026 alsnog aan verzoekers aanvraag tegemoet is gekomen, hoewel dit besluit later was dan de wettelijk toegestane termijn van zes maanden, zoals bepaald na vernietiging van WBV 2022/22.
Gezien het feit dat de minister alsnog een besluit heeft genomen en verzoeker het hoger beroep introk, oordeelde de Afdeling dat de minister de proceskosten van verzoeker moet vergoeden. De vergoeding werd vastgesteld op € 467,00, gerelateerd aan beroepsmatige rechtsbijstand.
Er is geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 26 januari 2026, omdat verzoeker niet heeft gereageerd op dat besluit. De Afdeling wees het verzoek om proceskostenvergoeding toe met een wegingsfactor van 0,5, omdat het hoger beroep uitsluitend ging over het niet tijdig nemen van het besluit.
Uitkomst: De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker wegens niet-tijdig besluit op de asielaanvraag.