ECLI:NL:RVS:2026:2891
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens bezit inbrekerswerktuigen op openbare plaats
Op 23 februari 2022 legde het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht aan appellant een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht (APV). Deze last verbiedt het vervoeren of bij zich hebben van inbrekerswerktuigen op openbare plaatsen binnen de gemeente. Bij overtreding verbeurt appellant een dwangsom van €2.500 per keer, met een maximum van €10.000.
Op 27 oktober 2023 werd appellant door de politie aangetroffen met diverse gereedschappen die als inbrekerswerktuigen worden aangemerkt. Het college vorderde vervolgens op 11 januari 2024 een dwangsom van €2.500, welke in bezwaar en beroep werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de bevoegdheid van het college en de overtreding.
Appellant voerde in hoger beroep onder meer aan dat de last onder dwangsom niet rechtsgeldig was opgelegd vanwege gebrek aan mandaat en dat de verklaringen tijdens de staandehouding niet gebruikt mochten worden wegens het ontbreken van cautie. De Afdeling oordeelde dat appellant geen rechtsmiddelen had aangewend tegen het oorspronkelijke besluit en dat de cautieplicht niet van toepassing was in deze situatie. Ook werd geoordeeld dat de verklaringen van derden onvoldoende betrouwbaar waren om nader onderzoek te rechtvaardigen.
Verder stelde appellant dat het college de dwangsom had moeten matigen omdat hij niet was geïnformeerd over de mogelijkheid tot opheffing van de last. De Afdeling verwierp dit, stellende dat het college niet verplicht is hierover te informeren. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; dwangsom van €2.500 bevestigd wegens overtreding van artikel 2:44 APV.