ECLI:NL:RVS:2026:2893
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W. den Ouden
- C.J. Borman
- G.O. van Veldhuizen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging formele waarschuwing student wegens onvoldoende grond voor ernstige overlast
In april 2025 diende de studentendecaan een klacht in tegen appellant vanwege uitlatingen in een beroepsprocedure. De opleidingsmanager legde appellant op 10 mei 2025 een formele schriftelijke waarschuwing op wegens vermeend niet-integer handelen en mogelijke schade aan de studentendecaan.
Appellant maakte bezwaar tegen deze maatregel, dat door het college van bestuur ongegrond werd verklaard. Appellant stelde beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de zitting op 24 maart 2026 werd appellant gehoord, evenals de voormalig opleidingsmanager.
De Afdeling oordeelde dat de uitlatingen van appellant weliswaar onaangenaam waren, maar niet de vereiste ernstige overlast binnen de gebouwen en terreinen van de hogeschool veroorzaakten. De maatregel was daarom niet proportioneel en de besluitvorming onrechtmatig. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade wegens psychisch letsel werd afgewezen, omdat appellant dit niet met voldoende concrete gegevens had onderbouwd. Het college werd tevens verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: De formele schriftelijke waarschuwing aan appellant wordt vernietigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.