ECLI:NL:RVS:2026:3022
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buiten behandelingstelling paspoortaanvraag wegens verlies Nederlanderschap door verblijf vader in het buitenland
Appellant heeft een Nederlands paspoort aangevraagd, maar de minister van Buitenlandse Zaken stelde deze aanvraag buiten behandeling omdat appellant op 10 april 2014 het Nederlanderschap van rechtswege verloor. Dit verlies volgde op het feit dat zijn vader Nederland op 10 april 2004 verliet en tien jaar onafgebroken in Egypte verbleef zonder Nederlands reisdocument of verklaring omtrent het Nederlanderschap.
Appellant voerde aan dat het gedeeld ouderlijk gezag van zijn ouders het verlies van het Nederlanderschap niet rechtvaardigt, omdat artikel 16 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) geen rekening houdt met gedeeld gezag en in strijd zou zijn met artikel 1:245 BW Pro. De Raad van State oordeelde echter dat het ouderlijk gezag niet relevant is voor het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap, dat uitputtend in de RWN is geregeld.
Verder wees de Raad van State het beroep af dat het verlies in strijd zou zijn met het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Sinds 1 april 2022 bestaat er een optierecht om het Nederlanderschap onder voorwaarden met terugwerkende kracht te herkrijgen, waarvoor een aparte procedure geldt.
De minister heeft de aanvraag van appellant dan ook terecht buiten behandeling gesteld. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat appellant het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren en de paspoortaanvraag terecht buiten behandeling is gesteld.