Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3213

Raad van State

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.001227
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 29 Vw 2000Art. 30a Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid aanvraag verblijfsvergunning asiel wegens gezinshereniging

Appellant diende op 18 november 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister verklaarde deze aanvraag op 4 december 2024 niet-ontvankelijk omdat appellant reeds een internationale beschermingsstatus in Oostenrijk had. De rechtbank bevestigde dit oordeel op 10 maart 2026.

Appellant stelde in hoger beroep dat zijn aanvraag niet als asielaanvraag, maar als aanvraag voor gezinshereniging (nareis) moest worden gezien, aangezien hij tijdens het gehoor op 29 november 2024 verklaarde niet terug te willen naar Oostenrijk en bij zijn gezin in Nederland wilde blijven. De minister had de aanvraag daarom niet niet-ontvankelijk mogen verklaren.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank dit niet heeft onderkend en dat de aanvraag terecht als nareisaanvraag moet worden behandeld conform artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De Afdeling vernietigt het besluit en de uitspraak van de rechtbank en beveelt de minister een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het besluit van de minister om de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren wordt vernietigd en de aanvraag moet als nareisaanvraag worden behandeld.

Uitspraak

BRS.26.001227
Datum uitspraak: 5 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 maart 2026 in zaak nr. NL24.49354 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 december 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 10 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. de Vries, advocaat in Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Appellant heeft op 18 november 2024 asiel aangevraagd. De minister heeft de desbetreffende aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat appellant al een internationale beschermingsstatus heeft in Oostenrijk. De echtgenote van appellant en zijn drie minderjarige kinderen hebben in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2.        Zijn enige grief richt appellant tegen het oordeel van de rechtbank dat hij niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij geen asiel, maar gezinshereniging wil en de minister daarom de aanvraag terecht heeft opgevat als een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Appellant betoogt terecht dat de minister de aanvraag had moeten zien als een aanvraag in het kader van nareis als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000. Hij heeft namelijk tijdens het gehoor van 29 november 2024 verklaard dat hij niet terug wil naar Oostenrijk, omdat hij hier in Nederland bij zijn gezin wil blijven. Hij heeft in dat gehoor geen beroep gedaan op internationale bescherming. De minister had daarom de aanvraag niet niet-ontvankelijk mogen verklaren op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4633, onder 3 tot en met 3.2. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De grief slaagt.
3.        Uit de hiervoor genoemde uitspraak van 2 oktober 2025 volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1749, onder 13. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
4.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 4 december 2024. De minister moet een nieuw besluit op de aanvraag nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent dat de minister de aanvraag moet zien als een aanvraag in het kader van nareis als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 maart 2026 in zaak nr. NL24.49354;
III.        verklaart het beroep gegrond;
IV.        vernietigt het besluit van 4 december […];
V.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026
941-1078