ECLI:NL:RVS:2026:3213
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- J.Th. Drop
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid aanvraag verblijfsvergunning asiel wegens gezinshereniging
Appellant diende op 18 november 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister verklaarde deze aanvraag op 4 december 2024 niet-ontvankelijk omdat appellant reeds een internationale beschermingsstatus in Oostenrijk had. De rechtbank bevestigde dit oordeel op 10 maart 2026.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn aanvraag niet als asielaanvraag, maar als aanvraag voor gezinshereniging (nareis) moest worden gezien, aangezien hij tijdens het gehoor op 29 november 2024 verklaarde niet terug te willen naar Oostenrijk en bij zijn gezin in Nederland wilde blijven. De minister had de aanvraag daarom niet niet-ontvankelijk mogen verklaren.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank dit niet heeft onderkend en dat de aanvraag terecht als nareisaanvraag moet worden behandeld conform artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De Afdeling vernietigt het besluit en de uitspraak van de rechtbank en beveelt de minister een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van de minister om de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren wordt vernietigd en de aanvraag moet als nareisaanvraag worden behandeld.