Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3237

Raad van State

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
202302313/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 AwbWBV 2022/22
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig besluit verblijfsvergunning asiel

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank had dit beroep niet-ontvankelijk verklaard. Appellanten gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.

In de procedure bleek dat de minister inmiddels op 17 en 18 maart 2026 besluiten had genomen op de aanvragen van appellanten, waarmee het doel van de procedure was bereikt. Hierdoor hadden appellanten geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep, dat daarom niet-ontvankelijk werd verklaard.

De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog verder dat de minister met betrekking tot de beslistermijn de Wet bestuursverkeer 2022/22 (WBV 2022/22) had toegepast, welke door het Hof van Justitie en de Afdeling onverenigbaar en onverbindend was verklaard. De minister had daardoor zes maanden de tijd om een besluit te nemen, wat uiteindelijk ook was gebeurd.

Appellant 1 was het niet eens met het besluit van 17 maart 2026, maar had inmiddels Nederland verlaten en geen belang meer bij bescherming, waardoor ook het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk werd verklaard. Appellant 2 was het eens met het besluit van 18 maart 2026, zodat ook daar geen beroep meer openstond.

De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellanten, waarbij een wegingsfactor van 0,5 werd toegepast omdat het hoger beroep en het beroep uitsluitend over het niet tijdig nemen van een besluit gingen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister inmiddels besluiten heeft genomen, waardoor appellanten geen belang meer hebben.

Uitspraak

202302313/1/V1.
Datum uitspraak: 4 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant 1] en [appellant 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 15 maart 2023 in zaak nr. NL23.3983 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 15 maart 2023 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. I. Petkovski, advocaat in Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.
De minister en appellanten hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
Hoger beroep
1.       Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellanten tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluiten genomen op de aanvragen van 30 maart 2022. Dat heeft de minister bij besluiten van onderscheidenlijk 17 maart 2026 en 18 maart 2026 wel gedaan. Met het door de minister nemen van deze besluiten hebben appellanten het doel van hun procedure bereikt. Appellanten hebben geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3.       De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, prejudiciële vragen gesteld over de vraag of de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden mocht verlengen. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling heeft op 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1749, einduitspraak gedaan, waarin zij tot de conclusie is gekomen dat WBV 2022/22 onverbindend is.
4.       De aanvragen van appellanten om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvragen) van 30 maart 2022 vallen onder het toepassingsbereik van WBV 2022/22. Aangezien WBV 2022/22 onverbindend is, had de minister zes maanden de tijd om een besluit te nemen op de asielaanvragen van appellanten. De minister heeft op onderscheidenlijk 17 maart 2026 en 18 maart 2026 besluiten genomen op de aanvragen van appellanten. De minister is inmiddels aan appellanten tegemoetgekomen, aangezien hij hangende de procedure tegen het uitblijven van een besluit op hun aanvragen alsnog besluiten heeft genomen. De Afdeling ziet aanleiding om de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellanten te veroordelen.
5.       De minister moet de in verband met het hoger beroep en het beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het gaat om een punt voor het hogerberoepschrift en een punt voor het beroepschrift. Het hoger beroep en het beroep gaan uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvragen. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 17 maart 2026
6.       Het besluit van 17 maart 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De minister heeft in dat besluit de asielaanvraag van appellant 1 afgewezen. Appellant 1 heeft bij brief van 2 april 2026 laten weten het niet eens te zijn met dat besluit. Hij heeft ook beroepsgronden gericht tegen dat besluit. Bij brief van 24 april 2026 heeft de minister laten weten dat appellant 1 zelfstandig uit Nederland is vertrokken. Naar aanleiding daarvan heeft appellant 1 bij brief van 4 mei 2026 laten weten dat hij geen belang meer heeft bij bescherming. Daarom heeft appellant 1 geen belang bij een beoordeling van het van rechtswege ontstane beroep en zal de Afdeling dit beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Het besluit van 18 maart 2026
7.       De minister is in het besluit van 18 maart 2026 geheel aan de aanvraag van appellant 2 tegemoetgekomen. Appellant 2 heeft desgevraagd laten weten het eens te zijn met dit besluit. Gelet hierop is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.      verklaart het beroep tegen het besluit van 17 maart 2026, V-[…], niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Essenburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026
392