ECLI:NL:RVS:2026:3252
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum verblijfsvergunning na opvolgende asielaanvraag
De minister van Asiel en Migratie verleende appellant een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op basis van een opvolgende aanvraag. De rechtbank vernietigde het besluit voor zover de ingangsdatum van de vergunning was vastgesteld op 10 november 2022 en stelde deze vast op 17 april 2022, de datum van de tweede asielaanvraag in Nederland.
Appellant stelde in hoger beroep dat de ingangsdatum de datum van de eerste asielaanvraag in Nederland (4 augustus 2018) moest zijn. De Raad van State oordeelde dat deze eerste aanvraag was overgedragen aan Duitsland en daar inhoudelijk was beoordeeld, waardoor de eerste aanvraag niet meer bepalend is.
De tweede aanvraag in Nederland wordt gezien als een 'volgend verzoek' conform artikel 2 van Pro de Procedurerichtlijn, en de datum daarvan is bepalend voor de ingangsdatum van de vergunning. De Raad van State verwijst naar eerdere uitspraken en het Unierecht ter onderbouwing.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning 17 april 2022 is, de datum van de tweede asielaanvraag in Nederland.