ECLI:NL:RVS:2018:2098
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum verblijfsvergunning bij opvolgende asielaanvraag
In deze zaak stond centraal de vraag wanneer een opvolgende asielaanvraag in Nederland formeel wordt ingediend, hetgeen bepalend is voor de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris had de ingangsdatum vastgesteld op 4 juli 2016, de datum waarop het formele aanvraagformulier (model M35-H) werd ondertekend. De rechtbank had echter geoordeeld dat de aanvraag al op 17 maart 2016 was ingediend, toen het kennisgevingsformulier (model M35-O) was ingevuld en ondertekend.
De staatssecretaris stelde dat het formele moment van indiening pas lag bij het model M35-H, conform artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de Procedurerichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het nationale bestuursrecht, met name de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaalt dat een aanvraag wordt gedaan zodra een belanghebbende een verzoek tot het nemen van een besluit indient. Het invullen en ondertekenen van model M35-O voldoet hieraan, ook al is het formulier mogelijk niet volledig.
De Afdeling benadrukte dat het stelsel van de Awb en de Vreemdelingenwet binnen het Unierecht past en dat de Procedurerichtlijn het onderscheid tussen het kenbaar maken en het indienen van een asielverzoek toestaat, maar niet verplicht af te wijken van het nationale begrip aanvraag. De staatssecretaris moet nog de exacte datum van ontvangst van het formulier vaststellen voor verdere besluitvorming. De Afdeling veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en bevestigde het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel wordt bepaald door het moment van ontvangst van het kennisgevingsformulier model M35-O en niet door het latere formele aanvraagformulier model M35-H.