ECLI:NL:RVS:2026:338
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering compensatie afgeloste private schuld toeslagenaffaire
Appellante, een gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht om compensatie van een door haar afgeloste doorlopend krediet van €19.990,14. De minister weigerde deze compensatie omdat de schuld niet opeisbaar was geworden door betalingsachterstanden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021, zoals vereist volgens artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de compensatie weigerde omdat de lening volledig was afgelost en niet aan de opeisbaarheidseis voldeed. De rechtbank benadrukte dat de regeling gericht is op het bieden van een nieuwe start en niet op herstel van onrecht, en dat het onderscheid tussen opeisbare en niet-opeisbare schulden een bewuste keuze van de wetgever is.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, waaronder een beroep op het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp deze gronden, verwijzend naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de wetgever bewust heeft gekozen voor de huidige regeling en dat de rechter niet kan afwijken van de wettelijke voorwaarden.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de minister terecht de compensatie van de afgeloste private schuld heeft geweigerd omdat deze niet opeisbaar was vóór 1 juni 2021.