ECLI:NL:RVS:2026:3392
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep minister tegen onrechtmatige bewaring vreemdeling zonder rechtmatig verblijf
De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene, een Duitse staatsburger zonder rechtmatig verblijf, op 20 november 2024 opnieuw in bewaring nadat zij herhaaldelijk de Duits-Nederlandse grens was overgestoken. De rechtbank had op 3 december 2024 de bewaring onrechtmatig verklaard en de maatregel opgeheven, met toekenning van schadevergoeding.
De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat het onttrekkingsrisico te groot was voor een lichter middel en dat hij voldoende voortvarend had gehandeld bij de overdracht aan Duitse autoriteiten. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat een lichter middel volstond en dat de minister niet verplicht was betrokkene vrijwillig de grens te laten oversteken.
Ook werd geoordeeld dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, gezien het vertrekgesprek en de twee laissez-passeraanvragen bij Duitsland. De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.