ECLI:NL:RVS:2026:3489
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J. Gundelach
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling ernstige bodemverontreiniging en saneringsplan in Leiden
Het college van burgemeester en wethouders van Leiden heeft op 22 april 2024 vastgesteld dat op een locatie in Leiden sprake is van ernstige bodemverontreiniging met minerale olie, bestaande uit twee verontreinigingskernen. Tevens is ingestemd met het door de eigenaar ingediende saneringsplan. Appellant, wonend aan een perceel grenzend aan deze locatie, betoogde dat ook op zijn perceel bodemverontreiniging aanwezig is en dat dit samen met de verontreiniging op de locatie als één geval van verontreiniging moet worden aangemerkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat op grond van artikel 1 van Pro de Wet bodembescherming (Wbb) een geval van verontreiniging alleen wordt aangemerkt indien er technische, organisatorische en ruimtelijke samenhang is. Uit bodemonderzoek en chromatogrammen bleek dat de olie op het perceel van appellant zwaarder is en waarschijnlijk afkomstig is van een andere bron dan de verontreiniging op de locatie. Het college heeft dit gemotiveerd onderbouwd en de Afdeling ziet geen aanleiding dit te betwijfelen.
Daarmee is niet voldaan aan de vereiste technische samenhang en is het beroep ongegrond verklaard. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit over ernstige bodemverontreiniging en saneringsplan is ongegrond verklaard.