202401509/1/R3.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Huisman Equipment B.V., gevestigd in Schiedam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 januari 2024 in zaak nr. 20/6117 in het geding tussen:
Huisman
en
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam.
Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2020 heeft het college aan de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 30 koop- en 119 huurappartementen op een commerciële onderbouw met daaronder een parkeergarage op de voormalige locatie Toernooiveld aan de A. Daalmeijerstraat in Schiedam.
Bij besluit van 7 oktober 2020 heeft het college het door Huisman daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 januari 2024 heeft de rechtbank het door Huisman daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Huisman hoger beroep ingesteld.
Het college en Heembouw Wonen B.V. en Heembouw Ontwikkeling Wonen B.V. hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college, Huisman en Heembouw hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 april 2026, waar Huisman, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. drs. W.J.W. van Eijk, advocaat te Den Bosch, en J. van Hees, werkzaam bij Peutz, en het college, vertegenwoordigd door J.W. van der Horst en R.B.F. Alberts, bijgestaan door mr. R. Benhadi, advocaat in Nijmegen, en R.E.S.S. Vliex, werkzaam bij DCMR, zijn verschenen. Verder is op de zitting Heembouw, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A. IJkelenstam, advocaat te Amsterdam, en M.J.M. Blankvoort en K. Sant, werkzaam bij Caubergh Huygen, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 februari 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. De omgevingsvergunning is verleend voor de realisatie van onder meer 149 woningen in twee torens op een onbebouwd deel van de Distillateursbuurt in Schiedam. Deze ontwikkeling is planologisch mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan "Toernooiveld", vastgesteld op 9 april 2019. In 2021 heeft Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek de omgevingsvergunning overgedragen aan Heembouw.
3. Huisman is gevestigd aan de Admiraal Trompstraat 2 in Schiedam ten zuidoosten van de voorziene (woningbouw)ontwikkeling. Huisman exploiteert op haar bedrijfslocatie een inrichting voor het ontwerpen en monteren van hijs- en hefwerktuigen, boorinstallaties en andere installaties voor de offshore industrie en pretparkattracties. De werktuigen en installaties worden gemonteerd op schepen die aan haar kade in de Wiltonhaven zijn afgemeerd. Huisman is sinds 1997 op het gezoneerde industrieterrein Schiedam-Zuid gevestigd. Huisman vreest door de realisatie van de woningen in haar bedrijfsvoering te worden belemmerd. Het gaat haar daarbij met name om de invloed die het zogenoemde nestgeluid van de afgemeerde schepen zal hebben op het geluidniveau in de woningen.
Goede procesorde
4. Het college en Heembouw stellen zich op het standpunt dat de nadere stukken die Huisman op 9 april 2026 heeft ingediend vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten blijven.
4.1. De Afdeling ziet, mede naar aanleiding van wat op de zitting met partijen is besproken en de bereidheid van Huisman om de na 9 april 2026 gegeven reactie van het college en DCMR eveneens toe te laten, geen aanleiding om de nadere stukken van Huisman van 9 april 2026 buiten beschouwing te laten.
Toetsingskader
5. Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is het toetsingskader voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’. Dat is een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo houdt in dat het college uitsluitend moet beoordelen of zich één van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet het de gevraagde vergunning verlenen. Als dat wel zo is, dan moet het de gevraagde vergunning weigeren. Het college heeft daarbij dus geen ruimte om een belangenafweging te maken.
Hoger beroep
Bouwbesluit 2012
6. Huisman betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het aannemelijk heeft mogen achten dat het bouwplan voldoet aan artikel 3.3 van het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit).
Hiertoe voert zij aan dat er in de akoestische rapporten en notities die het college aan de besluiten ten grondslag heeft gelegd van een onjuiste bedrijfsvoering van Huisman is uitgegaan. De geluidbelasting in de voorziene woningen is door het college om een aantal redenen onderschat. Huisman vreest voor toekomstige handhavingsverzoeken van de nieuwe bewoners, wat negatieve gevolgen kan hebben voor haar bedrijfsvoering.
6.1. Het college en Heembouw stellen zich op het standpunt dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het besluit op bezwaar vanwege deze hoger beroepsgrond over het Bouwbesluit. Hoewel de rechtbank het beroep terecht om inhoudelijke redenen ongegrond heeft verklaard, had de rechtbank al tot die conclusie kunnen komen door het relativiteitsvereiste tegen te werpen aan Huisman. Het college wijst op een aantal uitspraken van de Afdeling waaruit volgens hem naar voren komt dat uitsluitend de bewoners of gebruikers van het gebouw waarvoor de eisen gelden een beroep kunnen doen op de normen uit hoofdstuk 3 van het Bouwbesluit en anderen kennelijk niet, omdat het gaat om technische voorschriften voor bouwwerken uit het oogpunt van gezondheid. Het college verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3326, onder 13.3, 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2143, onder 3.1 en 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3206, onder 4.1. Als deze lijn wordt doorgetrokken naar afdeling 3.1 van het Bouwbesluit, meer in het bijzonder artikel 3.3 van het Bouwbesluit, dan volgt daaruit volgens het college dat uitsluitend de bewoners of gebruikers van het gebouw waarvoor de eisen gelden daar een beroep op kunnen doen, want die afdeling heeft hetzelfde beschermingsbereik als de afdelingen uit het Bouwbesluit die in de genoemde uitspraken aan de orde waren. 6.2. Huisman voert in reactie op de stellingen van het college en Heembouw aan dat het relativiteitsvereiste niet in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Zij wijst op uitspraken van de Afdeling van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1367, onder 9.1, en 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4265, onder 12.2, waaruit volgens haar volgt dat het onjuist is dat de normen uit hoofdstuk 3 van het Bouwbesluit alleen strekken tot bescherming van de gezondheid van de toekomstige bewoners. 6.3. Artikel 8:69a van de Awb luidt:
"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
6.4. Artikel 3.3, eerste lid, van het Bouwbesluit luidt:
"Bij een krachtens de Wet geluidhinder of de Tracéwet vastgesteld hogere-waardenbesluit is de volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied niet kleiner dan het verschil tussen de in dat besluit opgenomen hoogst toelaatbare geluidsbelasting voor industrie-, weg- of spoorweglawaai en 35 dB(A) bij industrielawaai, of 33 dB bij weg- of spoorweglawaai."
6.5. De Afdeling stelt vast dat Huisman een beroep doet op artikel 3.3, eerste lid, van het Bouwbesluit, dat normen bevat waaraan de geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied moet voldoen. Het gaat hierbij dus om technische eisen waaraan de geluidwering van de gevels van het te bouwen appartementencomplex moet voldoen, die moeten waarborgen dat er in de appartementen een bepaald geluidniveau is, ter bescherming van de gezondheid van de bewoners. Anders dan is overwogen in de uitspraak van 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1473, onder 16.1, strekken die geluidnormen naar het oordeel van de Afdeling tot bescherming van de belangen van de toekomstige bewoners van de appartementen en kennelijk niet tot bescherming van de belangen van Huisman, die het erom gaat gevrijwaard te blijven van handhavingsverzoeken en eventueel handhavingsbesluiten die een belemmering voor de bedrijfsvoering kunnen opleveren. Hierbij betrekt de Afdeling dat een handhavingsverzoek van een toekomstige bewoner vanwege een gestelde overtreding van de normen uit artikel 3.3, eerste lid, van het Bouwbesluit, er niet toe zal kunnen leiden dat Huisman als overtreder daarvan wordt aangesproken. De norm van artikel 3.3, eerste lid van het Bouwbesluit richt zich niet tot Huisman als een van de veroorzakers van het (industrie)geluid, maar richt zich tot degene die het gebouw realiseert en in stand houdt. Gelet op artikel 8:69a van de Awb kan het besluit op bezwaar daarom niet worden vernietigd op grond van het aangevoerde over het Bouwbesluit. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om inhoudelijk op het hoger beroep in te gaan. 6.6. De rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Wolvers-Poppelaars, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Wolvers-Poppelaars
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
780