ECLI:NL:RVS:2024:4265
Raad van State
- Hoger beroep
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging omgevingsvergunning voor kas en waterbassin wegens strijd met zorgvuldigheidsbeginsel
Het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn verleende op 6 juli 2018 een omgevingsvergunning aan Murbo Holding B.V. voor het bouwen van een kas, een waterbassin en het veranderen van drie uitritten. [Appellant], eigenaar van een aangrenzend perceel, maakte bezwaar tegen deze vergunning, dat aanvankelijk ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van [appellant] gegrond en vernietigde het besluit voor zover het de bouw van de kas en het waterbassin binnen drie meter van de zijdelingse perceelsgrens betrof. Het college herzag het besluit en verleende de vergunning opnieuw op 2 februari 2021.
[Appellant] stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank die het hernieuwde besluit bevestigde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de vergunning onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Zo was onduidelijk of het waterbassin onderdeel was van de aanvraag, en werd onvoldoende getoetst of het waterbassin voldeed aan het Bouwbesluit 2012. Daarnaast werd de afstand van de kas tot de zijdelingse perceelsgrens correct beoordeeld, maar was de motivering over de afwijking van het bestemmingsplan niet deugdelijk.
De Afdeling vernietigde het besluit van 2 februari 2021 en het vonnis van 8 september 2022 van de rechtbank Den Haag. Het college moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van [appellant]. Tevens werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling mogelijk is. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan [appellant].
Uitkomst: Het besluit van 2 februari 2021 wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van appellant.