ECLI:NL:RVS:2026:3629
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling minister na intrekking hoger beroep asielaanvraag
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 11 juli 2022. Tijdens de procedure heeft de minister alsnog een besluit genomen dat volledig tegemoetkomt aan de aanvraag van verzoeker. Hierdoor heeft verzoeker het hoger beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen door alsnog een besluit te nemen binnen de wettelijk toegestane termijn, nadat de toepasselijke beleidsregel WBV 2022/22 door het Hof van Justitie als onverbindend is verklaard. Dit leidt ertoe dat het belang bij een uitspraak op het hoger beroep is komen te vervallen.
De Afdeling wijst het verzoek om proceskostenvergoeding toe en veroordeelt de minister tot vergoeding van € 467,00, zijnde de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het hoger beroep betrof uitsluitend het niet tijdig nemen van een besluit, waardoor een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast. Verzoeker heeft aangegeven akkoord te zijn met het besluit van 4 juni 2026.
Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, zodat de Afdeling geen verdere beslissing hoeft te nemen over het oorspronkelijke geschil. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 23 juni 2026.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker na intrekking van het hoger beroep wegens het alsnog nemen van een besluit op de asielaanvraag.