ECLI:NL:RVS:2026:3629

Raad van State

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
202304051/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling minister na intrekking hoger beroep asielaanvraag

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 11 juli 2022. Tijdens de procedure heeft de minister alsnog een besluit genomen dat volledig tegemoetkomt aan de aanvraag van verzoeker. Hierdoor heeft verzoeker het hoger beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen door alsnog een besluit te nemen binnen de wettelijk toegestane termijn, nadat de toepasselijke beleidsregel WBV 2022/22 door het Hof van Justitie als onverbindend is verklaard. Dit leidt ertoe dat het belang bij een uitspraak op het hoger beroep is komen te vervallen.

De Afdeling wijst het verzoek om proceskostenvergoeding toe en veroordeelt de minister tot vergoeding van € 467,00, zijnde de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het hoger beroep betrof uitsluitend het niet tijdig nemen van een besluit, waardoor een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast. Verzoeker heeft aangegeven akkoord te zijn met het besluit van 4 juni 2026.

Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, zodat de Afdeling geen verdere beslissing hoeft te nemen over het oorspronkelijke geschil. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 23 juni 2026.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker na intrekking van het hoger beroep wegens het alsnog nemen van een besluit op de asielaanvraag.

Uitspraak

202304051/1/V1.
Datum uitspraak: 23 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker]
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht; Awb)
Procesverloop
Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. C.T.W. van Dijk, advocaat in Utrecht, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 30 mei 2023 in zaak nr. NL23.4834.
De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend.
Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Overwegingen
Het verzoek om proceskostenveroordeling
1.       Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75a van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan hem is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2.       De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, prejudiciële vragen gesteld over de vraag of de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden mocht verlengen. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, Zimir, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling heeft op 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1749, einduitspraak gedaan, waarin zij tot de conclusie is gekomen dat WBV 2022/22 onverbindend is.
3.       De aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) van 11 juli 2022 valt onder het toepassingsbereik van WBV 2022/22. Aangezien WBV 2022/22 onverbindend is, had de minister zes maanden de tijd om een besluit te nemen op de asielaanvraag van verzoeker. De minister heeft op 4 juni 2026 een besluit genomen. De minister is inmiddels aan verzoeker tegemoetgekomen aangezien hij hangende de procedure tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag alsnog een besluit heeft genomen. De Afdeling ziet aanleiding om de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker te veroordelen.
4.       De Afdeling wijst het verzoek toe. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 4 juni 2026
5.       De minister is in het besluit van 4 juni 2026 geheel aan de aanvraag van verzoeker tegemoetgekomen. Verzoeker heeft laten weten dat hij het eens is met dit besluit. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Essenburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026
1028