Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3661

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
202502685/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:8 APV Rotterdam 2012Art. 2 Besluit openbare inrichtingen 2017Art. 3:2 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing exploitatievergunning horeca op strandperceel wegens ontbreken gebruiksrecht

De burgemeester van Rotterdam wees op 26 juli 2023 de aanvraag van De Zeebries voor een exploitatie- en alcoholwetvergunning af omdat De Zeebries niet kon aantonen dat zij gerechtigd was over het strandperceel Zeekant 111 te beschikken. De huurovereenkomst was op 12 oktober 2022 buitengerechtelijk ontbonden. De rechtbank vernietigde het besluit van 21 maart 2024 wegens onvoldoende motivering en bepaalde dat de burgemeester een nieuw besluit moest nemen.

De burgemeester handhaafde het besluit bij een nieuw besluit van 19 mei 2025, waarbij werd gewezen op de Didam-jurisprudentie die het sluiten van een nieuwe huurovereenkomst bemoeilijkt. De Raad van State oordeelde dat de burgemeester niet onpartijdigheid schond door navraag te doen over het gebruik van het perceel en dat de rechtbank terecht bijzondere omstandigheden had erkend vanwege de samenloop van civiele en bestuursrechtelijke bevoegdheden binnen de gemeente.

Het hoger beroep van de burgemeester werd ongegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van De Zeebries niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, en het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit eveneens niet-ontvankelijk. De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank en veroordeelde de burgemeester tot vergoeding van proceskosten die De Zeebries maakte in verband met het niet-tijdig nemen van een besluit.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de exploitatievergunning en verklaart diverse beroepen niet-ontvankelijk of ongegrond.

Uitspraak

202502685/1/A2.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1.       de burgemeester van Rotterdam;
2.       De Zeebries B.V., gevestigd in Hoek van Holland, gemeente Rotterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 april 2025 in zaken nrs. 24/1807 en 24/4678 in het geding tussen:
De Zeebries
en
de burgemeester van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 26 juli 2023 heeft de burgemeester een aanvraag van De Zeebries om een exploitatievergunning en een alcoholwetvergunning (tezamen: de exploitatievergunning) voor een horeca-inrichting op het strandperceel Zeekant 111 in Hoek van Holland, afgewezen.
Bij besluit van 21 maart 2024 heeft de burgemeester het door De Zeebries daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 april 2025 heeft de rechtbank het beroep van De Zeebries gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard, het beroep van De Zeebries gericht tegen het besluit van 21 maart 2024 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de burgemeester een nieuw besluit op het bezwaar neemt.
Tegen de uitspraak van de rechtbank in zaaknummer 24/4678 heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.
De Zeebries heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een zienswijze ingediend.
De Zeebries heeft beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig door de burgemeester beslissen op het gemaakte bezwaar. De rechtbank heeft het beroep doorgezonden naar de Afdeling.
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 19 mei 2025 heeft de burgemeester het bezwaar van De Zeebries opnieuw ongegrond verklaard.
De Zeebries heeft daartegen gronden ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 januari 2026, waar De Zeebries B.V., vertegenwoordigd door mr. D.J. Perquin, rechtsbijstandverlener in Stellendam, vergezeld door [gemachtigde], en de burgemeester, vertegenwoordigd via een videoverbinding door mr. J.C. Avedissian, mr. M.C. Auw Yang-Rolle en Y.S. Man, zijn verschenen.
De burgemeester heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend en de Zeebries om een reactie op dat stuk gevraagd.
De Zeebries heeft in een nader stuk een reactie gegeven en ook medegedeeld geen toestemming te verlenen voor het achterwege laten van een tweede zitting.
De Zeebries heeft vervolgens bericht dat niet meer mr. D.J. Perquin, maar mr. J.C. Herrewijnen, advocaat te Rotterdam, haar gemachtigde is en dat zij alsnog toestemming verleent voor het achterwege laten van een tweede zitting.
De burgemeester heeft toestemming verleend voor het achterwege laten van een tweede zitting.
De Afdeling heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Voorgeschiedenis
1.       Sinds 21 september 2009 verhuurde de gemeente Rotterdam het strandperceel Zeekant 111 in Hoek van Holland (het perceel) aan Holding De Zeebries B.V., de moedermaatschappij van De Zeebries. Sinds 20 november 2018 had [persoon A], als bestuurder en enig aandeelhoudster van De Zeebries, een exploitatievergunning voor het exploiteren van horeca-inrichting De Zeebries, gevestigd op het perceel. [gemachtigde] werkte bij De Zeebries als bedrijfsleider. [persoon A] en [gemachtigde] hebben gesproken over voortzetting van het horecabedrijf door [gemachtigde]. [persoon A] en [gemachtigde] hebben hierover via whatsapp contact gehad met een gebiedsadviseur Horeca van de gemeente. Daarbij is afgesproken dat de aanvraag tot wijziging van de exploitatievergunning van De Zeebries zou worden ingetrokken en dat [gemachtigde] zelf een exploitatievergunning zou aanvragen.
2.       Op 1 september 2022 heeft [persoon A] met Rose Vis B.V., waarvan [gemachtigde] enig aandeelhouder en bestuurder is, een onderhuurovereenkomst gesloten voor de op het perceel gelegen opstallen. Op 7 september 2022 heeft [persoon B] namens De Zeebries de aanvraag om een exploitatievergunning ingetrokken. Vervolgens heeft [persoon A] per e-mail van 15 september 2022 aan de burgemeester laten weten dat zij de exploitatievergunning van De Zeebries wil intrekken. De dag erna heeft de burgemeester aan [persoon A] bevestigd dat de exploitatievergunning van De Zeebries is komen te vervallen. Eveneens op 15 september 2022 heeft [gemachtigde] namens Rose Vis een exploitatievergunning aangevraagd, waarbij hij de onderhuurovereenkomst heeft overgelegd. Daardoor bleek dat De Zeebries zonder toestemming van de gemeente de overeenkomst tot onderhuur had gesloten. Hierop heeft de gemeente, mede gelet op het staken van de exploitatie door De Zeebries, de huurovereenkomst van het perceel op 12 oktober 2022 buitengerechtelijk ontbonden.
3.       Op 17 mei 2023 zijn alle aandelen van De Zeebries overgedragen aan Rose Vis, oftewel [gemachtigde]. Op 31 mei 2023 heeft De Zeebries een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning. De burgemeester heeft de aanvraag bij besluit van 26 juli 2023 afgewezen, omdat De Zeebries geen bewijs kan overleggen dat zij gerechtigd is om over de ruimte te beschikken. De huurovereenkomst uit 2009 die als bewijs is overgelegd is immers op 12 oktober 2022 ontbonden en vormt daarom geen bewijs.
4.       Bij besluit van 21 maart 2024 heeft de burgemeester de afwijzing van de aanvraag voor een exploitatievergunning in stand gehouden. De burgemeester heeft de grondslag gehandhaafd dat de aanvraag in strijd is met artikel 1:8, eerste lid, aanhef en onder e, van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 (de APV), gelezen in samenhang met artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van het Besluit openbare inrichtingen 2017 (het BOI) en dus moet worden afgewezen. Van dit uitgangspunt kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen worden afgeweken. De burgemeester heeft daarvoor in dit geval geen reden gezien.
5.       Bij vonnis van 22 september 2023 heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat de huurovereenkomst op 12 oktober 2022 buitengerechtelijk is ontbonden. Tevens heeft de kantonrechter Holding De Zeebries B.V. veroordeeld om het perceel te ontruimen en ontruimd te houden. De Zeebries heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. De voorzieningenrechter heeft in een vonnis in kort geding van 24 november 2023 de tenuitvoerlegging van de ontruiming geschorst, totdat op het ingestelde hoger beroep van De Zeebries is beslist. De burgemeester heeft in het nader stuk van 3 maart 2026 het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 24 februari 2026 overgelegd, waarin het Hof het vonnis van de kantonrechter van 22 september 2023 heeft bekrachtigd.
Uitspraak van de rechtbank
6.       De rechtbank heeft in de uitspraak van 2 april 2025 beslist in zowel zaaknummer 24/1807 als zaaknummer 24/4678.
In zaaknummer 24/1807 heeft de rechtbank een beroep niet-tijdig van De Zeebries niet-ontvankelijk verklaard.
In zaaknummer 24/4678 heeft de rechtbank overwogen dat moet worden uitgegaan van de ontbinding van de huurovereenkomst en dat De Zeebries onvoldoende heeft aangetoond dat zij gerechtigd is om over de ruimte te beschikken. Onder ‘de ruimte’ als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van het BOI, moet ook het perceel worden verstaan. Dat De Zeebries eigenaar is van de opstallen op het perceel en als enige feitelijke toegang heeft tot deze opstallen, betekent niet dat zij gerechtigd is om over de ruimte te beschikken.
De rechtbank heeft verder overwogen dat het besluit van 21 maart 2024 niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het kan namelijk niet worden uitgesloten dat de gemeente Rotterdam bevoegd en bereid is toestemming te geven voor het al dan niet tijdelijk gebruik van het perceel, bijvoorbeeld in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep over de ontbinding van de huurovereenkomst. Gezien de bijzondere omstandigheid dat de burgemeester op de hoogte was van de plannen van [gemachtigde] om het horecabedrijf voort te zetten en dat zowel over de vergunningverlening als over de verhuur wordt beslist door onderdelen van de gemeente, had op dit punt meer van de burgemeester mogen worden verwacht. Ook blijkt uit de motivering van het besluit niet dat de burgemeester zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de gerechtvaardigde belangen van De Zeebries. De rechtbank heeft het besluit daarom vernietigd.
Nader besluit
7.       Bij besluit van 19 mei 2025 heeft de burgemeester het bezwaar van De Zeebries opnieuw ongegrond verklaard. De burgemeester heeft de directeur Bestaande Stad van Cluster Stadsontwikkeling verzocht te onderzoeken of de gemeente bereid is om toestemming te geven aan De Zeebries voor het al dan niet tijdelijk gebruik van het perceel. De directeur heeft laten weten dat de huurovereenkomst met De Zeebries is beëindigd en dat voor het sluiten van een nieuwe, al dan niet tijdelijke huurovereenkomst de gemeente de zogenoemde Didam-regels in acht moet nemen. Het staat de gemeente zodoende niet vrij om een al dan niet tijdelijke huurovereenkomst te sluiten met De Zeebries. Er is namelijk veel animo voor de aanhuur van het perceel. Deze situatie heeft de gemeente meerdere malen aan De Zeebries kenbaar gemaakt. De gemeente acht het niet opportuun om een partij waarmee een huurrelatie is ontbonden, gedurende een lopende procedure een nieuwe (tijdelijke) huurovereenkomst aan te bieden. De burgemeester heeft geconcludeerd dat de gemeente niet bereid is om het perceel al dan niet tijdelijk in gebruik te geven aan De Zeebries. Omdat De Zeebries niet gerechtigd is om over de ruimte te beschikken, heeft de burgemeester de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.
Hoger beroep burgemeester
8.       De burgemeester voert in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij bij de gemeente had moeten nagaan of De Zeebries het perceel tijdelijk in gebruik kan nemen. Daarmee zou zij als belangenbehartiger van De Zeebries optreden, wat in strijd is met de onpartijdige positie en onafhankelijkheid van de burgemeester. Zij is slechts bevoegd te beslissen op een aanvraag voor een exploitatievergunning. Ook wist de burgemeester dat de gemeente het perceel hoogstwaarschijnlijk niet tijdelijk aan De Zeebries kon verhuren, gelet op de Didam-jurisprudentie. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte de omstandigheden dat de burgemeester bekend was met het voornemen van [gemachtigde] om de exploitatie van het horecabedrijf over te nemen, en dat een ander deel van de gemeente beslist over de verhuur van het perceel, als bijzonder aangemerkt. Tot slot heeft de rechtbank niet onderkend dat het risico van schade volledig voor rekening van De Zeebries is als professioneel ondernemer.
8.1.    De Afdeling volgt de burgemeester niet in haar betoog dat zij, door bij de gemeente na te gaan of De Zeebries het perceel tijdelijk in gebruik kon nemen, op zou treden als belangenbehartiger van De Zeebries, wat in strijd zou zijn met de onpartijdige positie en onafhankelijkheid van de burgemeester. In het kader van de zorgvuldige voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 3:2 van Pro de Awb, is de burgemeester namelijk gehouden om de nodige kennis te vergaren ten aanzien van de relevante feiten en de af te wegen belangen. Anders dan de burgemeester heeft gesteld op de zitting, heeft de rechtbank niet bedoeld dat de burgemeester druk uitoefent op de gemeente als verhuurder van het perceel om voor [gemachtigde] een tijdelijke huurovereenkomst te bewerkstelligen, maar slechts dat de burgemeester bij het daarvoor verantwoordelijke onderdeel van de gemeente navraagt of De Zeebries tijdelijk gebruik kan maken van het perceel.
8.2.    Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat in deze procedure (onderdelen van) de gemeente Rotterdam zowel beslissen over de verlening van de exploitatievergunning als over de verhuur van het perceel. De aanvraag voor de vergunning is door de burgemeester geweigerd, omdat De Zeebries mede vanwege een buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst door de gemeente, niet kan bewijzen dat zij over de ruimte kan beschikken. De samenloop van de afzonderlijke civiele en bestuursrechtelijke bevoegdheden van (onderdelen van) de gemeente in deze zaak heeft de rechtbank terecht als bijzonder aangemerkt. Ook de omstandigheid dat de burgemeester op de hoogte was van het voornemen van [gemachtigde] om de exploitatie van het horecabedrijf over te nemen, heeft de rechtbank terecht als bijzonder aangemerkt. Op zitting heeft de burgemeester bevestigd dat zij op de hoogte was van het voornemen van [gemachtigde].
8.3.    De burgemeester betoogt evenwel terecht dat de rechtbank eraan is voorbijgegaan dat het risico van financiële schade voor rekening komt van De Zeebries als ondernemer. De gemeente heeft De Zeebries namelijk al op 16 december 2022 per e-mail geïnformeerd dat de gemeente niet bereid is een huurovereenkomst te sluiten. De gemeente heeft daarbij gewezen op de Didam-jurisprudentie. Desondanks heeft [gemachtigde] de aandelen van De Zeebries overgenomen. Eventuele risico’s op schade die hieruit voortvloeien komen dan ook voor rekening van De Zeebries. Dit betekent echter niet dat de rechtbank ten onrechte de beroepsgrond heeft laten slagen dat het besluit van 21 maart 2024 niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd.
8.4.    Het hoger beroep is ongegrond.
Incidenteel hoger beroep De Zeebries
9.       Voor zover De Zeebries in haar incidenteel hogerberoepschrift van 24 juli 2025 gronden heeft aangevoerd tegen de uitspraak van de rechtbank in zaaknummer 24/1807, merkt de Afdeling dat in zoverre aan als een hoger beroep. De burgemeester heeft namelijk geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank in dat zaaknummer. De Afdeling zal het hoger beroep van De Zeebries niet-ontvankelijk verklaren, omdat het buiten de in artikel 6:7 van Pro de Awb voorgeschreven termijn van zes weken is ingesteld. De Zeebries heeft desgevraagd op de zitting geen reden gegeven voor de termijnoverschrijding, zodat die niet verschoonbaar is.
10.     De Zeebries voert in het incidenteel hoger beroep verder aan dat de rechtbank het besluit van 21 maart 2024 wegens strijd met artikel 2:4 en Pro artikel 3:3 van Pro de Awb had moeten vernietigen, omdat de burgemeester met de afwijzing van de bestuursrechtelijke aanvraag voor de exploitatievergunning in feite de civiele belangen van de gemeente behartigt. De burgemeester is vooringenomen en maakt op die manier misbruik van haar bevoegdheid. Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat artikel 2, tweede lid, van het BOI onverbindend moet worden verklaard wegens strijd met artikel 10 van Pro de Dienstenrichtlijn. De door de burgemeester gegeven uitleg van ‘beschikken over de ruimte’ is namelijk niet op voorhand ondubbelzinnig, objectief en voorspelbaar. Ook beschikt De Zeebries als economisch eigenaar van de opstallen over het feitelijke economisch bezit en daarmee over de desbetreffende ruimte. Dat volgt uit het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van 24 november 2023. Tot slot heeft de rechtbank ten onrechte de burgemeester niet in de proceskosten in bezwaar veroordeeld.
10.1.  Er is geen grond voor het oordeel dat het besluit van 21 maart 2024 in strijd is met de artikelen 2:4 en 3:3 van de Awb. De Zeebries heeft niet onderbouwd dat de burgemeester misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de aanvraag voor een exploitatievergunning af te wijzen.
10.2.  Ook is er geen grond voor het oordeel dat artikel 2, tweede lid, van het BOI, onverbindend moet worden verklaard wegens strijd met artikel 10 van Pro de Dienstenrichtlijn. Uit artikel 2, tweede lid, van het BOI volgt dat de burgemeester een aanvraag om een exploitatievergunning kan afwijzen als de aanvrager niet kan bewijzen dat de exploitant gerechtigd is om over de ruimte te beschikken. Deze bepaling laat geen andere uitleg toe dan dat ‘beschikken over de ruimte’ ook ziet op de onderliggende grond waarop zal worden geëxploiteerd en is daarom voldoende duidelijk en ondubbelzinnig.
10.3.  Verder volgt uit het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van 24 november 2023 slechts dat De Zeebries het perceel in afwachting van het oordeel in hoger beroep van het Gerechtshof Den Haag niet hoefde te ontruimen. Dat neemt niet weg dat de kantonrechter bij vonnis van 22 september 2023 voor recht heeft verklaard dat de huurovereenkomst op 12 oktober 2022 buitengerechtelijk is ontbonden en op die datum is geëindigd. De kantonrechter heeft De Zeebries verder veroordeeld om het perceel te ontruimen en ontruimd te houden, inclusief alle op het perceel aanwezige opstallen. Dat betekent dat De Zeebries dus vanaf 12 oktober 2022 geen geldige titel had om gebruik te maken van het perceel waarop zij haar inrichting wilde gaan exploiteren en dus ook niet beschikte over de ruimte. Daarom stond het vonnis in kort geding van 24 november 2023 niet aan de weigering van de burgemeester om een exploitatievergunning en een alcoholwetvergunning te verlenen in de weg. Overigens is het vonnis van de kantonrechter van 22 september 2023 inmiddels bij arrest van het Hof Den Haag van 24 februari 2026 bekrachtigd.
10.4.  Tot slot heeft de rechtbank de burgemeester terecht niet veroordeeld in de proceskosten in bezwaar. Ingevolge artikel 7:15 van Pro de Awb is een bestuursorgaan gehouden de proceskosten in bezwaar te vergoeden indien het besluit waartegen het bezwaar is gericht, wordt herroepen. Daarvan is in dit geval geen sprake. De rechtbank heeft namelijk het besluit van 21 maart 2024 vernietigd en het primaire besluit van 26 juli 2023 in stand gelaten.
10.5.  Het incidenteel hoger beroep van De Zeebries is ongegrond.
Beroep niet-tijdig
11.     De Zeebries heeft op 19 mei 2025  beroep niet-tijdig ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank in zaaknummer 24/4678.
11.1.  Toen De Zeebries beroep instelde tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, had de burgemeester nog niet opnieuw op haar bezwaar beslist. Dat heeft de burgemeester bij besluit van 19 mei 2025 wel gedaan. Omdat met dat besluit is bereikt wat De Zeebries met haar beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit beoogde, namelijk dat alsnog zou worden beslist op haar bezwaar, heeft zij geen procesbelang meer bij haar beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit. De Afdeling zal daarom dit beroep niet-ontvankelijk verklaren.
11.2.  Wanneer een beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk wordt verklaard, moet worden nagegaan of in de omstandigheden van het geval, in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het belang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een zodanige grond kan liggen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep is tegemoetgekomen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt het alsnog nemen van een besluit hangende de procedure tegen het uitblijven van een tijdig besluit, aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Zie de uitspraken van de Afdeling van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1753, onder 3.2, en van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3683, onder 4.2. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen degenen die hun beroep intrekken en om een proceskostenveroordeling zoals in artikel 8:75a van de Awb verzoeken, en degenen die hun beroep handhaven. Voor het toekennen van een vergoeding van proceskosten is wel van belang dat is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van een beroep wegens het niet-tijdig nemen van een besluit.
11.3.  Bij de uitspraak van 2 april 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de burgemeester binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Deze termijn is op 14 mei 2025 verstreken. De burgemeester heeft binnen deze termijn geen besluit op bezwaar genomen. Aan de voorwaarden voor het instellen van een beroep wegens het niet-tijdig nemen van een besluit is voldaan. De Afdeling zal daarom de burgemeester veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten die De Zeebries heeft gemaakt in verband met de behandeling van haar beroep ingesteld wegens het niet-tijdig nemen van een besluit door de burgemeester.
Beroep tegen besluit 19 mei 2025
12.     Bij besluit van 19 mei 2025 heeft de burgemeester opnieuw op het bezwaar van De Zeebries beslist. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van Pro de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
De Zeebries betoogt dat haar het recht op een eerlijk proces wordt ontnomen gelet op de grote hoeveelheid procedures die de gemeente voert. Daarnaast heeft de burgemeester met het besluit van 19 mei 2025 op onjuiste wijze uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. De Zeebries is namelijk op geen enkele manier betrokken geweest in de besluitvorming en er is ook geen advies geweest van de bezwaarschriftencommissie. Omdat in het besluit alleen een ambtelijke opvatting wordt medegedeeld, is dit niet deugdelijk gemotiveerd. De burgemeester is voorbijgegaan aan de overweging van de rechtbank dat niet is gebleken dat de burgemeester zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de gerechtvaardigde belangen van De Zeebries.
12.1.  Uit de omstandigheid dat De Zeebries in veel procedures met de gemeente Rotterdam is verwikkeld en uit haar enkele, niet onderbouwde stelling dat door de gemeente in die verschillende procedures tegenstrijdige verklaringen worden gegeven, volgt niet dat het recht van De Zeebries op een eerlijk proces is geschonden.
12.2.  Verder heeft de burgemeester, anders dan De Zeebries betoogt, met het besluit van 19 mei 2025 op een juiste manier uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. De burgemeester heeft een nadere motivering gegeven waarom zij geen vergunning aan De Zeebries kan verlenen en daarbij gewezen op de Didam-jurisprudentie. Hiermee heeft de burgemeester kennis vergaard omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen en die belangen gewogen. Gelet op de motivering hoefde de burgemeester niet te horen, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn ten opzichte van het eerdere besluit op bezwaar van 21 maart 2024.
12.3.  Het beroep is ongegrond.
Conclusie
13.     Het hoger beroep van De Zeebries gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam in zaaknummer 24/1807 is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van de burgemeester gericht tegen de uitspraak van de rechtbank in zaaknummer 24/4678 is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van De Zeebries tegen dezelfde uitspraak is ook ongegrond. De Afdeling bevestigt die uitspraak van de rechtbank. Het beroep van De Zeebries tegen het niet-tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk. Het beroep van rechtswege van De Zeebries gericht tegen het besluit van de burgemeester van Rotterdam van 19 mei 2025 is ongegrond.
14.     De burgemeester moet de bij De Zeebries opgekomen proceskosten in verband met de behandeling van het beroep niet-tijdig vergoeden. Omdat het beroep is gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, past de Afdeling over het beroep een wegingsfactor 0,5 toe.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van De Zeebries gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 april 2025 in zaaknummer 24/1807, niet-ontvankelijk;
II.       verklaart het hoger beroep van de burgemeester Rotterdam gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 april 2025 in zaaknummer 24/4678, ongegrond;
III.      bevestigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 april 2025 in zaaknummer 24/4678;
IV.     verklaart het beroep tegen het besluit van de burgemeester van Rotterdam van 19 mei 2025 ongegrond;
V.      verklaart het beroep van De Zeebries tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
VI.     veroordeelt de burgemeester van Rotterdam tot vergoeding van bij De Zeebries in verband met de behandeling van het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
488-1177