ECLI:NL:RVS:2026:3816
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J.H. van Breda
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Verlening verblijfsvergunning aan langdurig in Nederland verblijvende kinderen en ouders
Betrokkenen, een Nigeriaans gezin bestaande uit vader, moeder en twee in Nederland geboren minderjarige dochters, vroegen in 2019 om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluitingsregeling. De minister wees dit af en handhaafde dit besluit op bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar, waarna de minister hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak toetste het hoger beroep en oordeelde dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de belangen van de kinderen, die sterke banden met Nederland hebben opgebouwd en zich in een belangrijke fase van identiteitsontwikkeling bevinden. De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom hij niet van het beleid afweek ondanks deze uitzonderlijke omstandigheden.
De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden had betrokken in zijn belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro. Gelet op de langdurige verblijfsonzekerheid en de negatieve effecten daarvan op de kinderen, achtte de Afdeling definitieve geschilbeslechting noodzakelijk en bepaalde dat de minister betrokkenen een verblijfsvergunning moet verlenen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De minister moet betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen vanwege het belang van de kinderen en het privéleven onder artikel 8 EVRM.