ECLI:NL:RVS:2026:3816

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
202405347/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 4:84 AwbArt. 8:41a AwbArt. 8:68 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening verblijfsvergunning aan langdurig in Nederland verblijvende kinderen en ouders

Betrokkenen, een Nigeriaans gezin bestaande uit vader, moeder en twee in Nederland geboren minderjarige dochters, vroegen in 2019 om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluitingsregeling. De minister wees dit af en handhaafde dit besluit op bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar, waarna de minister hoger beroep instelde.

De Afdeling bestuursrechtspraak toetste het hoger beroep en oordeelde dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de belangen van de kinderen, die sterke banden met Nederland hebben opgebouwd en zich in een belangrijke fase van identiteitsontwikkeling bevinden. De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom hij niet van het beleid afweek ondanks deze uitzonderlijke omstandigheden.

De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden had betrokken in zijn belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro. Gelet op de langdurige verblijfsonzekerheid en de negatieve effecten daarvan op de kinderen, achtte de Afdeling definitieve geschilbeslechting noodzakelijk en bepaalde dat de minister betrokkenen een verblijfsvergunning moet verlenen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De minister moet betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen vanwege het belang van de kinderen en het privéleven onder artikel 8 EVRM.

Uitspraak

202405347/1/V1.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 juli 2024 in zaak nr. NL23.2032 in het geding tussen:
[betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 19 januari 2023 (het besluit op bezwaar) heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven. Betrokkenen hebben daarop op verzoek van de Afdeling gereageerd.
De minister en betrokkenen hebben op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
De minister en betrokkenen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft deze zaak op een zitting behandeld op 18 maart 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, en betrokkenen, bijgestaan door mr. E. Derksen, advocaat in Velp, zijn verschenen. Als tolk trad op L. Malovic-Vujovic. Verder zijn mr. A.E. Zijlstra en mr. S. Pantelić, werkzaam bij het Onderzoeks- en Expertisecentrum voor Kinderen en Vreemdelingenrecht van de Rijksuniversiteit Groningen, aan de zijde van betrokkenen als deskundigen verschenen. De zaak is op de zitting gelijktijdig behandeld met zaken nrs. 202400459/1/V1 en 202500252/1/V1.
Betrokkenen hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft het onderzoek heropend met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De minister heeft op verzoek van de Afdeling gereageerd op laatstgenoemd nader stuk van betrokkenen.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.       Betrokkenen zijn een vader en moeder en hun twee minderjarige dochters met de Nigeriaanse nationaliteit. De ouders zijn in 2003 afzonderlijk van elkaar naar Nederland gekomen en hebben elkaar hier in 2006 ontmoet. De hoofdpersoon en haar zusje (samen: de kinderen) zijn op [geboortedatum] 2009 en [geboortedatum] 2010 in Nederland geboren. Betrokkenen hebben op 25 februari 2019 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluiting Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen (de Afsluitingsregeling). De minister heeft de aanvraag afgewezen en die afwijzing in het besluit op bezwaar gehandhaafd.
2.       Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moet verlenen voor het uitoefenen van hun privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, mede gelet op de belangen van de al langdurig in Nederland verblijvende kinderen. Daarbij gaat het om een situatie waarin al vaststaat dat de minister terecht aan betrokkenen heeft tegengeworpen dat zij niet voldoen aan het beleid in de Afsluitingsregeling en de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om van dat beleid af te wijken met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb.
2.1.    De Afdeling stelt hierna eerst vast dat de minister belang heeft bij een inhoudelijke uitspraak in hoger beroep (onder 3) en dat de gezinssituatie van betrokkenen is gewijzigd (onder 4). Vervolgens licht de Afdeling toe wat de rechtbank heeft geoordeeld over de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM (onder 5). Daarna gaat de Afdeling in op het hoger beroep van de minister (onder 6 tot en met 7.3). De Afdeling geeft daarbij een uiteenzetting van het beoordelingskader in het licht van vaste rechtspraak van het EHRM en oordeelt dat de grieven van de minister niet slagen. Tot slot neemt de Afdeling een eindbeslissing over deze procedure met toepassing van artikel 8:41a van de Awb (onder 8 tot en met 8.2). De Afdeling oordeelt dat de minister betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent.
2.2.    De Afdeling toetst in deze zaak niet of uit de op haar verzoek ontvangen schriftelijke inlichtingen van de minister volgt dat hij het beginsel van non-refoulement in deze reguliere procedure heeft gewaarborgd in overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892. Een actuele beoordeling van het risico op refoulement bij terugkeer naar Nigeria is niet meer relevant, omdat betrokkenen zich niet in Nigeria hoeven te vestigen, wanneer de minister hun ter uitvoering van deze uitspraak een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moet verlenen.
Belang van de minister en gewijzigde gezinssituatie in hoger beroep
3.       Betrokkenen hebben in hun nadere schriftelijke inlichtingen en tijdens de zitting in hoger beroep laten weten dat de moeder de Spaanse nationaliteit heeft verkregen en een afzonderlijke procedure loopt om vast te stellen of de vader en de kinderen een van de moeder afgeleid verblijfsrecht ontlenen aan het Unierecht. Die procedure staat niet in de weg aan het belang van de minister bij een inhoudelijke uitspraak in hoger beroep. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412, onder 5.2, heeft een bestuursorgaan namelijk dat belang als de rechtbank een besluit van dat bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, alleen al door de precedentwerking die van die vernietiging kan uitgaan. Het hoger beroep is daarom ontvankelijk.
4.       De minister heeft in zijn brief van 27 mei 2026 laten weten dat betrokkenen hem hebben geïnformeerd dat de moeder op 20 mei 2026 is overleden. Voor de Afdeling is op het moment van deze uitspraak niet duidelijk wat het overlijden van de moeder betekent voor de afzonderlijke procedure over het Unierecht, waarin de minister nog geen besluit heeft genomen. De Afdeling bedoelt hierna met ‘betrokkenen’ alleen de vader en de kinderen.
De uitspraak van de rechtbank
5.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat een afweging tussen het belang van betrokkenen bij voortzetting van hun privéleven in Nederland en het belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid in het nadeel van betrokkenen uitvalt. De rechtbank heeft overwogen dat de minister is voorbijgegaan aan omstandigheden die van belang zijn voor een antwoord op de vraag of uitzonderlijke omstandigheden bestaan die maken dat de minister betrokkenen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM verblijf moet toestaan. De rechtbank heeft daarbij gewezen op de omstandigheden dat de kinderen, totdat zij 10 of 11 jaar waren, niet wisten dat zij geen verblijfsvergunning hadden en dat het gaat om een langlopende procedure waarin de minister niet heeft gewerkt aan de uitzetting van betrokkenen en dus vijf jaar heeft stilgezeten. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de minister in zijn belangenafweging te veel nadruk heeft gelegd op volgens hem bestaande mogelijkheden voor de kinderen in Nigeria en te weinig rekening heeft gehouden met de omstandigheden die betrokkenen hebben aangevoerd. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat de kinderen sterke banden met Nederland hebben, omdat zij hier zijn geboren, naar school gaan en hun sociale leven hebben opgebouwd. Ook heeft de rechtbank gewezen op de fase van identiteitsontwikkeling van de kinderen en het door betrokkenen overgelegde ‘Best Interests of the Child-Assessment’ van het Onderzoeks- en Expertisecentrum voor Kinderen en Vreemdelingenrecht van de Rijksuniversiteit Groningen van 9 juni 2023 (het BIC-rapport) met zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. Tot slot heeft de rechtbank erop gewezen dat de kinderen alleen een band hebben met Nigeria via hun ouders en betrokkenen geen gevaar vormen voor de openbare orde.
Hoger beroep: privéleven in Nederland
Beoordelingskader
6.       Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de minister een ‘fair balance’ moet vinden tussen het belang van een vreemdeling bij voortzetting van privéleven in Nederland en het belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid (arrest van 31 januari 2006, Rodrigues Da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, paragraaf 39). De minister moet alle voor de belangenafweging relevante feiten en omstandigheden kenbaar in zijn beoordeling betrekken. Daarbij is een belangrijke overweging of een vreemdeling zijn privéleven in Nederland opbouwt, terwijl die vreemdeling zich ervan bewust is dat zijn verblijfsstatus maakt dat de voortzetting van zijn privéleven vanaf het begin onzeker is (arrest van 28 juli 2020, Pormes tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2020:0728JUD002540214, paragrafen 57, 58 en 60). Als dat het geval is, dan leidt afwijzing van een aanvraag van die vreemdeling om aan hem verblijf toe te staan alleen in uitzonderlijke omstandigheden tot een schending van artikel 8 van Pro het EVRM.
6.1.    Verder heeft het EHRM aangenomen dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid er in beginsel voor pleiten om het gedrag van ouders aan hun kinderen toe te rekenen, want anders bestaat een risico dat ouders de situatie van hun kinderen gebruiken (‘exploit’) om een verblijfsrecht voor zichzelf en hun kinderen te verzekeren (arrest van 4 december 2012, Butt tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709, paragraaf 79, en het arrest Pormes, paragraaf 57). Het feit dat een ouder zich ervan bewust was dat voortzetting van zijn privéleven in Nederland vanaf het begin van dat privéleven onzeker was, kan er dus door toerekening voor zorgen dat de afwijzing van de aanvraag van zijn kinderen alleen in uitzonderlijke omstandigheden tot een schending van artikel 8 van Pro het EVRM leidt, ook al waren die kinderen zich niet bewust van die situatie.
6.2.    Voor de beoordeling of zulke uitzonderlijke omstandigheden bestaan, acht het EHRM niet automatisch doorslaggevend dat een verdragsstaat het gedrag van een ouder mag toerekenen aan een kind (zie het arrest Butt, paragraaf 80). Ondanks die toerekening, kunnen individuele omstandigheden er namelijk voor pleiten om kinderen niet de nadelige gevolgen van het gedrag van hun ouders te laten ondervinden en om daarom aan te nemen dat zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen (zie het arrest Butt, paragrafen 86 en 90). Daarbij kan gelet op het arrest Butt bijvoorbeeld van belang zijn dat niet langer een risico bestaat dat een ouder de situatie van zijn kind gebruikt voor een beoogd verblijfsrecht (zie het arrest Butt, paragraaf 80), welke banden kinderen hebben opgebouwd in een verdragsstaat en of zij daarbij wisten van hun onrechtmatig verblijf, in welke mate de autoriteiten van de verdragsstaat hebben gewerkt aan het vertrek van betrokkenen uit die verdragsstaat, wat de banden van de kinderen zijn met het land waarnaar zij volgens de verdragsstaat moeten terugkeren en wat de duur is van het verblijf in de verdragsstaat.
6.3.    Voor de beoordeling of uitzonderlijke omstandigheden bestaan, vindt het EHRM verder het belang van het kind relevant. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van het EHRM, moet de minister in alle besluiten over kinderen aanzienlijk gewicht toekennen aan hun belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend zijn (arresten van 28 juni 2011, Nunez tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD005559709, paragraaf 78, 24 juli 2014, Kaplan e.a. tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2014:0724JUD003250411, paragrafen 88 en 98, en 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, paragraaf 109).
6.4.    Gelet op de specifieke omstandigheden van de verzoekers in het arrest Butt, volgt uit dat arrest op zichzelf niet in welke individuele gevallen de minister verplicht is om uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen. Uit dat arrest volgt wel dat de minister voor een ‘fair balance’ van de belangenafweging zorgvuldig moet onderzoeken en deugdelijk moet motiveren of zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen aan de hand van de door betrokkenen aangevoerde omstandigheden. De Afdeling toetst het oordeel van de rechtbank over de vraag of de minister zijn beoordeling op die wijze heeft gemaakt, aan de hand van de grieven van partijen in hoger beroep. De Afdeling ziet er bij die toets uitdrukkelijk op toe dat de minister heeft laten zien dat hij aanzienlijk gewicht heeft toegekend aan het belang van het kind door rekening te houden met omstandigheden die ervoor kunnen pleiten om kinderen niet de nadelige gevolgen van het gedrag van ouders te laten ondervinden. Het belang van het kind kan onder meer volgen uit de banden van een kind met Nederland. Gelet daarop volgt de Afdeling de minister niet langer in zijn standpunt dat door vreemdelingen aangevoerde omstandigheden over de banden van kinderen met Nederland weliswaar in hun voordeel wegen, maar deze omstandigheden toch niet doorslaggevend kunnen zijn voor de uitkomst van de belangenafweging om de enkele reden dat die kinderen deze banden hebben opgebouwd tijdens langdurig onrechtmatig verblijf.
Bespreking van de grieven van de minister
7.       De minister klaagt in grief 1 over het oordeel van de rechtbank dat hij in zijn belangenafweging niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken om te beoordelen of uitzonderlijke omstandigheden bestaan. Verder klaagt de minister in grief 2 over het oordeel van de rechtbank dat hij in zijn belangenafweging te weinig rekening heeft gehouden met de door betrokkenen aangevoerde omstandigheden en te veel nadruk heeft gelegd op de mogelijkheden voor de kinderen om in Nigeria hun privéleven voort te zetten.
7.1.    De grieven van de minister slagen niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister niet in zijn belangenafweging heeft laten zien dat hij daarbij alle relevante omstandigheden heeft betrokken. Onder die omstandigheden valt ook de door de rechtbank aangehaalde informatie dat de kinderen banden met Nederland hebben gekregen, terwijl zij niet wisten dat zij geen verblijfsvergunning hadden. Uit het arrest Butt, paragraaf 82, volgt immers dat dit een van de omstandigheden is die relevant kan zijn voor de beoordeling of, gelet op alle individuele omstandigheden, uitzonderlijke omstandigheden bestaan. Ook volgt uit het oordeel van de rechtbank dat de minister ten onrechte niet heeft laten zien dat hij aanzienlijk gewicht heeft toegekend aan het belang van de kinderen. De minister heeft in zijn weging van omstandigheden minder gewicht toegekend aan omstandigheden die informatie geven over het belang van het kind, alleen al omdat die omstandigheden inherent zijn aan langdurig onrechtmatig verblijf. Daarmee kent de minister in de belangenafweging, ongeacht de individuele omstandigheden, teveel gewicht toe aan dat onrechtmatig verblijf en te weinig aan het belang van de kinderen. Dat doet geen recht aan de rechtspraak van het EHRM zoals hiervoor uiteengezet onder 6 tot en met 6.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moet de minister aanzienlijk gewicht toekennen aan de schoolgang, contacten en activiteiten van een minderjarige vreemdeling, bezien vanuit het belang van het kind (uitspraak van de Afdeling van 7 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1030, onder 3.1). Daarnaast merkt de Afdeling op dat de minister weliswaar uitgebreid is ingegaan op het BIC-rapport, maar de rechtbank er terecht op heeft gewezen dat de minister niet is ingegaan op de identiteitsontwikkeling van de kinderen gelet op hun leeftijdsfase.
7.2.    De minister voert verder tevergeefs aan dat zijn motivering van de belangenafweging in deze zaak soortgelijk is aan zijn motivering in een zaak waarin de Afdeling op 4 april 2024 uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:RVS:2024:1429, onder 2.3 tot en met 3.5), alleen al omdat de Afdeling niet langer het standpunt van de minister volgt dat aan de banden van kinderen met Nederland beperkt gewicht toekomt, als zij die banden hebben opgebouwd tijdens onrechtmatig verblijf. Zie onder 6.4. Gelet op dat oordeel en de omstandigheden van het geval in deze zaak, komt de Afdeling in deze zaak tot het oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister in zijn belangenafweging niet deugdelijk gemotiveerd is ingegaan op de door betrokkenen aangevoerde omstandigheden, waaronder de banden die de kinderen met Nederland hebben opgebouwd, deels in een periode dat zij nog niet wisten van hun onrechtmatig verblijf, en de identiteitsontwikkeling van de kinderen gelet op hun leeftijdsfase.
7.3.    Wat de minister verder aanvoert, behoeft geen bespreking, omdat uit het voorgaande al volgt dat de minister tevergeefs opkomt tegen het eindoordeel van de rechtbank. Ook roept het hoger beroep van de minister geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie hoger beroep
8.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling herroept het besluit van 30 oktober 2019. De Afdeling oordeelt dat de minister in zijn belangenafweging niet zorgvuldig heeft onderzocht en niet deugdelijk heeft gemotiveerd of uitzonderlijke omstandigheden bestaan gelet op de belangen van de kinderen en overige individuele omstandigheden. Hoewel het in beginsel aan de minister is om alsnog te beoordelen of hij betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moet verlenen voor het uitoefenen van het privéleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, ziet de Afdeling in deze zaak aanleiding voor definitieve geschilbeslechting. Gelet op de verblijfsonzekerheid voor de kinderen vanaf het begin van deze procedure in 2019 en de voor hun ontwikkeling negatieve effecten van die onzekerheid, acht de Afdeling het namelijk nodig dat deze procedure tot een einde komt. Partijen hebben op de zitting in hoger beroep desgevraagd geen bezwaren geuit tegen definitieve geschilbeslechting.
8.1.    De Afdeling heeft de overtuiging dat voor betrokkenen uitzonderlijke omstandigheden bestaan gelet op de belangen van de kinderen en de overige individuele omstandigheden in deze zaak. Daaronder valt onder meer dat de kinderen, tijdens hun verblijf van vijftien en zestien jaar in Nederland, banden met Nederland hebben opgebouwd en zich gelet op hun leeftijden in een fase van identiteitsontwikkeling bevinden. De kinderen hebben de banden met Nederland in ieder geval opgebouwd door het volgen van onderwijs en hun sociale contacten.
8.2.    De Afdeling neemt gelet daarop aan dat een ‘fair balance’ van alle af te wegen relevante feiten en omstandigheden leidt tot een belangenafweging in het voordeel van betrokkenen. Daarbij betrekt de Afdeling ook de in hoger beroep ontstane situatie dat de moeder en partner van betrokkenen is overleden. De minister heeft in zijn brief van 24 februari 2026, in antwoord op vragen voorafgaand aan de zitting in hoger beroep, toegelicht dat, in algemene zin, het overlijden van een familielid, in samenstel met andere omstandigheden, een voorbeeld is van een situatie waarin hij heeft geconcludeerd dat het belang van de betrokkenen zwaarder woog dan het belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid. De Afdeling bepaalt dat de minister betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent voor de uitoefening van hun privéleven in Nederland. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       herroept het besluit van 30 oktober 2019, V-[…], V-[…], V-[…], en V-[…];
III.      bepaalt dat de minister van Asiel en Migratie betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent;
IV.     veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V.      bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
958