ECLI:NL:RVS:2026:3863
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- B.P. Vermeulen
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunningen asiel wegens valse verklaringen en herbeoordeling
Betrokkenen, een Iraans gezin bestaande uit twee ouders en twee meerderjarige dochters, kregen in 2017 en 2018 verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd toegekend op grond van hun geloofsbekering. In 2022 trok de minister deze vergunningen in omdat betrokkenen met hulp van een juridisch adviseur valse verklaringen hadden afgelegd. De rechtbank oordeelde dat de intrekking rechtmatig was, maar dat de herbeoordeling door de minister niet deugdelijk was gemotiveerd.
In hoger beroep betoogden betrokkenen dat de minister onvoldoende had gemotiveerd welke onjuiste gegevens zij hadden verstrekt en dat de bewijslast onterecht bij hen lag. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat uit tapverslagen en verhoren bleek dat de juridisch adviseur betrokkenen had geïnstrueerd om hun relaas te manipuleren, waardoor de verklaringen onbetrouwbaar waren. De bewijslast lag terecht bij de minister, en betrokkenen slaagden er niet in voldoende twijfel te zaaien.
De Afdeling oordeelde verder dat de minister bij de herbeoordeling de beoordelingswijze uit werkinstructie WI 2022/3 had moeten toepassen, waarbij vragen over motieven, kennis en activiteiten binnen het nieuwe geloof aan de orde moeten komen. De minister had dit niet voldoende gedaan, waardoor de herbeoordeling ondeugdelijk was. De hogere beroepen van zowel betrokkenen als de minister werden ongegrond verklaard, waarbij de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van betrokkenen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunningen asiel en verklaart de hogere beroepen ongegrond.