ECLI:NL:RVS:2026:4204
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- M. Soffers
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring asielzoeker door Raad van State na ongegrond beroep rechtbank
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 26 maart 2026 in bewaring. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank, die op 9 april 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat het recht van vóór 12 juni 2026 van toepassing is en dat het hoger beroep geen gronden bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De Afdeling bevestigde voorts eerdere jurisprudentie dat het verkrijgen van gegevens voor de beoordeling van het asielverzoek ook na het indienen van een zienswijze kan plaatsvinden.
De Afdeling zag geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de minister werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de bewaring van appellant en verklaart het hoger beroep ongegrond.