ECLI:NL:RVS:2026:4304
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete voor arbeid door 12-jarig kind en gebrekkige registratie arbeids- en rusttijden
Bij inspectie op 5 november 2022 constateerden arbeidsinspecteurs dat een 12-jarig kind arbeid verrichtte bij de werkgever, wat een overtreding is van artikel 3:2, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet. Tevens werd vastgesteld dat de werkgever geen deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden bijhield, in strijd met artikel 4:3, eerste lid, van dezelfde wet. De minister legde op 22 februari 2024 een bestuurlijke boete van €13.500,- op, welke bij bezwaar en beroep werd gehandhaafd.
De rechtbank oordeelde dat de boete terecht was opgelegd en correct was berekend volgens de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013. In hoger beroep betoogde de werkgever dat de boete onjuist was vastgesteld omdat zij minder dan tien FTE in dienst had en dat de boete wegens verminderde verwijtbaarheid gematigd had moeten worden.
De Raad van State stelde vast dat de minister terecht een correctiefactor van 0,75 toepaste, omdat de werkgever in werkelijkheid meer dan tien werknemers in dienst had, gebaseerd op verklaringen en roosters. Daarnaast was er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid, aangezien de werkgever bekend was met de leeftijd van het kind en geen deugdelijke registratie kon overleggen. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €13.500,- wegens arbeid door een 12-jarig kind en het ontbreken van een deugdelijke registratie.