ECLI:NL:RVS:2026:4304

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
202502858/1/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AtwArt. 4:3 AtwArt. 5:46 AwbArt. 2 Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuurlijke boete voor arbeid door 12-jarig kind en gebrekkige registratie arbeids- en rusttijden

Bij inspectie op 5 november 2022 constateerden arbeidsinspecteurs dat een 12-jarig kind arbeid verrichtte bij de werkgever, wat een overtreding is van artikel 3:2, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet. Tevens werd vastgesteld dat de werkgever geen deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden bijhield, in strijd met artikel 4:3, eerste lid, van dezelfde wet. De minister legde op 22 februari 2024 een bestuurlijke boete van €13.500,- op, welke bij bezwaar en beroep werd gehandhaafd.

De rechtbank oordeelde dat de boete terecht was opgelegd en correct was berekend volgens de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013. In hoger beroep betoogde de werkgever dat de boete onjuist was vastgesteld omdat zij minder dan tien FTE in dienst had en dat de boete wegens verminderde verwijtbaarheid gematigd had moeten worden.

De Raad van State stelde vast dat de minister terecht een correctiefactor van 0,75 toepaste, omdat de werkgever in werkelijkheid meer dan tien werknemers in dienst had, gebaseerd op verklaringen en roosters. Daarnaast was er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid, aangezien de werkgever bekend was met de leeftijd van het kind en geen deugdelijke registratie kon overleggen. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €13.500,- wegens arbeid door een 12-jarig kind en het ontbreken van een deugdelijke registratie.

Uitspraak

202502858/1/A3.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in [plaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 april 2025 in zaak nr. 24/6546 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 februari 2024 heeft de minister aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 13.500,00.
Bij besluit van 6 augustus 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 juli 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A. Bal, advocaat in Arnhem, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. S. Martis, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Bij een inspectie op 5 november 2022 hebben twee inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie geconstateerd dat een 12-jarig kind bij [appellante] arbeid verrichtte. Dat is een overtreding van artikel 3:2, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (Atw). De arbeidsinspecteurs hebben een verklaring van het kind afgenomen en de eigenaar van [appellante] bevolen de arbeid van het kind te staken. De inspecteurs hebben verder op basis van eigen waarnemingen en gesprekken met de vennoot en medewerkers van [appellante] geconstateerd dat [appellante] geen deugdelijke registratie van de arbeids- en rusttijden heeft bijgehouden. Dit is een overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw. De inspecteurs hebben op 15 september 2023 een boeterapport opgesteld.
1.1.    De minister heeft op 5 januari 2024 aan [appellante] laten weten voornemens te zijn een boete op te leggen van € 13.500,00 vanwege de hiervoor beschreven overtredingen van de Atw. Bij het besluit van 22 februari 2024 heeft de minister de boete daadwerkelijk opgelegd. De minister heeft de boete bij het besluit van 6 augustus 2024 gehandhaafd.
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister niet onzorgvuldig heeft gehandeld door de verklaring van het kind bij de totstandkoming van het boetebesluit te betrekken. Daarnaast heeft de minister terecht direct een boete opgelegd voor het niet deugdelijk registreren van de arbeids- en rusttijden. De boete is volgens de rechtbank ook terecht berekend aan de hand van de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013 en is niet onevenredig.
Hoger beroep
3.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister de hoogte van de boete niet juist heeft vastgesteld. Het boetenormbedrag is vermenigvuldigd met een factor van 0,75 voor het zijn van een werkgever die tussen de tien en vijftig werknemers in dienst heeft. Volgens [appellante] heeft zij minder dan tien voltijdseenheden (FTE) in dienst en had daarom een factor van 0,5 gehanteerd moeten worden. Daarnaast betoogt [appellante] dat geen sprake is van grove schuld of opzet en de boete daarom wegens verminderde verwijtbaarheid had moeten worden gematigd.
Wettelijk kader
4.       De voor deze zaak van belang zijnde regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Beoordeling
5.       De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat [appellante] de Atw heeft overtreden en de minister voor de overtredingen een boete heeft opgelegd. In geschil is alleen of de hoogte van de opgelegde boete juist is en de boete gematigd had moeten worden.
6.       De minister heeft bij het bepalen van de hoogte van de boete op grond van artikel 2, tweede lid, van de Beleidsregel een factor van 0,75 gehanteerd, omdat [appellante] volgens hem meer dan tien, maar minder dan vijftig werknemers in dienst heeft. [appellante] heeft voor het eerst in hoger beroep naar voren gebracht dat bij het toepassen van de correctie voor het aantal werknemers moet worden gekeken naar het aantal FTE’s. Volgens [appellante] zijn er vijf werknemers die voltijd werken. Verder werken er ook scholieren bij [appellante], maar die werken in deeltijd. Omgerekend wordt met gemiddeld zeven voltijdswerknemers gewerkt, aldus [appellante].
6.1.    Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat voor de bepaling van de bedrijfsgrootte niet alleen het aantal werknemers van belang hoeft te zijn. Ook het aantal door de werknemers gewerkte uren kan iets over de bedrijfsgrootte zeggen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:870. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3622, dat een fictief aantal medewerkers kan worden berekend. Voor een zo compleet mogelijk beeld van het aantal uren dat de werknemers gemiddeld per week werken, moet de werkgever gegevens overleggen van de gewerkte uren van vier achtereenvolgende weken, zodat daaruit een gemiddelde kan worden afgeleid
6.2.    [appellante] heeft in hoger beroep alleen een betaaloverzicht van een maand uit 2024 overgelegd. Behalve dat dit niet de bedoelde gegevens zijn, ziet dit overzicht ook niet op de periode waarvoor de boete is opgelegd. Daarnaast volgt uit het boeterapport dat de vennoot tegenover de arbeidsinspecteurs heeft verklaard ongeveer tien werknemers in dienst te hebben, waarvan er vijf voltijd werken. Verder heeft de vennoot verklaard dat ze in drie ploegen werken en de meeste werknemers zeven à acht uur op een dag werken. [appellante] is zeven dagen in de week open. Uit het rooster van de maand oktober 2022, dat als bijlage bij het boeterapport is gevoegd, staan achttien namen genoemd. In die maand hebben de achttien op de lijst vermelde medewerkers in totaal 1.419 uren gewerkt. Uitgaande van een 35-urige werkweek komt dit overeen met minstens tien FTE’s. Daarbij komt nog dat op het rooster twee voltijdsmedewerkers ontbreken, zoals de vennoot heeft verklaard. De Afdeling is dan ook van oordeel dat uit de verklaringen van de vennoot en het geconstateerde aantal werknemers kan worden afgeleid dat de bedrijfsgrootte van [appellante] in ieder geval meer dan tien werknemers bedraagt. De minister heeft dan ook de factor 0,75 voor het middenbedrijf terecht toegepast.
6.3.    Het betoog slaagt niet.
7.       De minister moet bij het opleggen van een boete de hoogte van deze boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet hij rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Dit is neergelegd in artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de Beleidsregel, voor zover toegepast bij de overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw, in beginsel voldoende mogelijkheden tot differentiatie bevat om te kunnen leiden tot oplegging van een boete, die in het desbetreffende geval als evenredig is aan te merken. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1146. Dat betekent dat bij het vaststellen van de hoogte van de boete al rekening is gehouden met bepaalde omstandigheden. De boete is in zoverre niet onevenredig. Het beroep dat [appellante] doet op de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 27 november 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5511, nog daargelaten dat de Afdeling daaraan niet is gebonden, kan [appellante] niet baten. In die uitspraak ging het om de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving. Dat is een andere beleidsregel waarin andere matigingsgronden zijn opgenomen.
7.1.    De Afdeling stelt vast dat [appellante], aangezien het gaat om een neefje van de vennoot dat zij arbeid heeft laten verrichten, bekend was met zijn leeftijd. Ook valt het [appellante] te verwijten dat zij geen deugdelijke registratie van de arbeids- en rusttijden heeft bijgehouden. Dat het kassasysteem niet goed functioneerde, zoals zij heeft aangevoerd, maakt dat niet anders, omdat de registratie van de arbeids- en rusttijden vormvrij is. [appellante] heeft geen stukken overgelegd waaruit een deugdelijke registratie blijkt. Er is dan ook geen sprake van verminderde verwijtbaarheid op grond waarvan de boete zou moeten worden gematigd. De minister is hier terecht niet toe overgegaan.
7.2.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
735-1104
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:46
1.       De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
2.       Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
(…)
Arbeidstijdenwet
Artikel 3:2
1.       De verantwoordelijke persoon zorgt er voor, dat een kind geen arbeid verricht.
(…)
Artikel 4:3
1.       Een werkgever en een persoon als bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, voert een deugdelijke registratie terzake van de arbeids- en rusttijden welke het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt.
(…)
Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013
Artikel 2. Correctie aantal werknemers
1.       De in bijlage 1 genoemde boetenormbedragen zijn uitgangspunt voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes voor een werkgever die 50 of meer, maar minder dan 100 werknemers in dienst heeft (middelgroot bedrijf).
2.       Voor de werkgever die een van het eerste lid afwijkend aantal werknemers in dienst heeft, worden de volgende uitgangspunten gehanteerd voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes:
a.       0,5 maal het boetenormbedrag voor de werkgever die minder dan 10 werknemers in dienst heeft (kleinbedrijf);
b.       0,75 maal het boetenormbedrag voor de werkgever die 10 of meer, maar minder dan 50 werknemers in dienst heeft (middenbedrijf);
c.       1,5 maal het boetenormbedrag voor de werkgever die 100 of meer werknemers in dienst heeft (grootbedrijf).
(…)