ECLI:NL:RVS:2026:4317

Raad van State

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.002125
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 12 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep minister tegen vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag lhbtiq+-persoon

Betrokkene, een Ghanese lhbtiq+-persoon, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat Polen verantwoordelijk zou zijn voor de asielprocedure.

De rechtbank oordeelde dat er voldoende aanwijzingen zijn dat Polen niet aan zijn internationale verplichtingen voldoet jegens lhbtiq+-asielzoekers, mede op basis van een rapport over juridische obstakels en risico's op refoulement. De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen.

De minister ging in hoger beroep en voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij wordt uitgegaan van naleving van het verbod op refoulement en toegang tot effectieve rechtsmiddelen in Polen. De minister betwistte de interpretatie van het rapport en stelde dat er voldoende rechtshulp beschikbaar is.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet heeft toegepast en vernietigt het vonnis. Het beroep wordt alsnog ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.

Uitspraak

BRS.26.002125
Datum uitspraak: 24 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 april 2026 in zaak nr. NL26.11229 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 22 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt op de aanvraag met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. F.M. Holwerda, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        Betrokkene heeft de Ghanese nationaliteit. De minister heeft haar asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Polen daarvoor verantwoordelijk is op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Betrokkene heeft in het aanmeldgehoor verklaard dat zij lesbisch is.
Uitspraak van de rechtbank
2.        De rechtbank heeft overwogen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3800, volgt dat er in Polen geen sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De rechtbank is echter van oordeel dat betrokkene zich onder verwijzing naar objectieve landeninformatie niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de minister niet of niet zonder meer van het vermoeden mag uitgaan dat Polen aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen. Zo volgt uit het rapport ‘Crossing double borders. LGBTQI+ displacement to Poland: persecution, discrimination and challenges in accessing humanitarian assistance’ van het Migration Consortium uit 2025 (het rapport) dat lhbtiq+-personen in Polen te maken krijgen met aanzienlijke juridische obstakels in de asielprocedure. Volgens het rapport zorgen deze juridische obstakels voor een significant verhoogd risico op onrechtmatige afwijzingen en refoulement. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom voldoende aanknopingspunten gegeven om het vermoeden te weerleggen dat Polen voor lhbtiq+-personen aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen. De minister is er volgens de rechtbank niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij ondanks deze informatie nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
Hoger beroep van de minister
3.        In zijn hogerberoepschrift wijst de minister terecht op de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, onder 6.2, waaruit volgt dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel het uitgangspunt is dat de aangezochte lidstaat in de eerste plaats het verbod op refoulement naleeft en in de tweede plaats dat een vreemdeling in die lidstaat toegang heeft tot effectieve rechtsmiddelen om een negatieve beschikking op een asielaanvraag en het daaraan verbonden terugkeerbesluit aan te vechten, om zo een eventueel risico op refoulement aan rechterlijke toetsing te onderwerpen. Van dit uitgangspunt mag alleen worden afgeweken als een vreemdeling aannemelijk maakt dat wat betreft de asielprocedure en de opvangvoorzieningen sprake is van systeemfouten waardoor niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
3.1.        Naar het oordeel van de Afdeling is betrokkene daarin niet geslaagd. De minister voert in zijn grieven terecht aan dat hij de door betrokkene overgelegde landeninformatie gemotiveerd heeft betwist door uit te leggen hoe hij tot een andere waardering van het rapport komt. De minister wijst er terecht op dat het rapport weliswaar kanttekeningen plaatst bij de manier waarop in Polen seksuele oriëntatie als beschermingsgrond wordt geïnterpreteerd, maar dat hieruit niet volgt dat deze beschermingsgrond niet wordt getoetst of niet tot inwilliging van een verzoek tot internationale bescherming kan leiden. Dat valt niet zonder meer af te leiden uit het rapport. Daarnaast merkt de minister terecht op dat in Polen voldoende rechtshulp aanwezig is voor lhbtiq+-personen. Het rapport spreekt weliswaar van een gebrek aan gespecialiseerde rechtshulp, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat er voor deze groep in het geheel geen juridische hulp beschikbaar is. Verder betoogt de minister terecht dat, ook indien de wijze waarop de Poolse autoriteiten de verzoeken van
lhbtiq+-personen beoordelen systematische gebreken vertoont, binnen het nationale rechtsstelsel in Polen effectieve bescherming kan worden gezocht.
3.2.        Gelet op het voorgaande betoogt de minister terecht dat de rechtbank op basis van het rapport ten onrechte heeft overwogen dat hij niet zonder nadere motivering voor betrokkene als lhbtiq+-persoon mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Polen.
3.3.        De grieven slagen.
4.        Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie hoger beroep
5.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, verklaart zij het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 april 2026 in zaak nr. NL26.11229;
III.        verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026
846-1085